Van het kleine grut

Hans, die wordt al groot. Bijna zeven alweer. Gelukkig is hij ook nog een klein jongetje, maar ik vind het allemaal wel snel gaan. Natuurlijk, je groeit er in mee en dit is ook leuk maar ik weet nog toen hij twee was en hij wel eens bang was midden in de nacht en hij me huilend riep. Ik snelde dan naar hem toe en vroeg wat er was, waarop hij zei dat hij geschrokken was. En dat ik hem dan even vasthield tot hij weer stil was, en dat hij dan zachtjes “jah” zei als ik vroeg of hij weer ging slapen.
Tammar heeft de leeftijd nog net, drie is ze nu, en ik ben gek op haar smoesjes. Midden in de nacht roept ze me soms voor iets onbeduidends, ze is haar “lappie” kwijt terwijl die naast haar ligt, of gewoon omdat ze naar de wc moet. Aan haar vraag ik voor de zekerheid altijd even of ze m’n liefie nog is en dat bevestigt ze nog altijd. Alhoewel ze laatst een keer vroeg waarom ik dat altijd vroeg en dat ik dat niet meer moest doen. Hoe ze daar nu bij kwam weet ik niet, maar volgens mij is het weer vergeten. Maar ook zij wordt groter. “als ik geen snoepje mag, ben ik ook niet meer jouw vriendin,” zegt ze soms lachend, maar wel in de hoop dat ze een snoepje krijgt. Eén keer pakte ik haar in al mijn domheid terug door te zeggen dat ik dan ook niet meer haar vader was. Niet zo’n hele bijdehandte opmerking van mezelf. Ik ben voor ééns en altijd haar vader.

Nu slapen ze allebei in Hans z’n kamer. Vinden ze leuk. Ik leg Tammar straks terug omdat ze anders morgenochtend veel te vroeg wakker zijn. Voorlopig zijn ze allebei nog kind. Op dit moment is dat zo. Ik laat de tijd niet ongemerkt aan me voorbij schieten anders zijn ze straks in één keer groot. Je moet soms de tijd even vastzetten. Gelukkig heb ik leren schrijven.

Tamar en Johannes.

Wat was Pasen ook alweer precies? Met Pasen vieren we, nou ja, sommige mensen vieren het nog maar, dat Christus is opgestaan uit de dood. God had zijn eniggeboren zoon gegeven om onze zonden te vergeven. Ik begrijp het allemaal niet zo goed, maar dat is de boodschap van Pasen. Veel mensen zien God intussen als een verzinsel van mensen, maar zoals Herman Finkers al eens opmerkte: ik heb dit gedicht verzonnen, toch bestaat het.

Het geloof is iets moeilijks en persoonlijks. Historici zijn het er over het algemeen wel eens over het hebben bestaan van Jezus, maar uiteraard niet over de verhalen uit de bijbel, die ook wel enigszins vreemd overkomen. Ik stel aan mezelf nooit vragen over de bijbel want wat is moelijk aan over water lopen als je tenminste gelooft dat God almachtig is? En wat heeft het voor zin om wel in Jezus te geloven maar niet in de wonderen die hij verrichtte? Wetenschappelijk zijn ze niet te verklaren en dat is de reden dat veel mensen het geloof maar laten voor wat het is. Ik geloof, maar ik twijfel over de stelligheid waarmee je dat zou moeten doen.

Uit onverwachte hoek wordt er druk op mij uitgeoefend. Linda vindt dat het tijd wordt dat ik mijn kinderen iets ga bijbrengen over het Christelijk geloof. En waarom vindt ze dat? Omdat het haar nooit is bijgebracht en ze er ook werkelijk niets over weet. Ze weet niet eens wie de hoofrol had in het verhaal. En dat vindt ze een gebrek aan haar opvoeding. Goed, als iemand het kan weten, is zij het wel. Het is ook maar net waar je wieg komt te staan of je er iets van meekrijgt of niet.

Je hoort wel eens het argument dat kinderen op latere leeftijd zelf maar moeten beslissen of ze willen geloven of niet. Nou, dat zal ook zeker gebeuren. Ook al ben je streng gelovig opgevoed, dan beslis je dat op latere leeftijd ook zelf. Maar als je ze niks bijbrengt, dan komt er natuurlijk nooit een beslissing.

Gelovigen zijn niet beter of slechter dan ongelovigen. Onder de gelovigen zitten aanwinsten voor de mensheid, net als onder de ongelovigen. En onder de gelovigen zitten enorme eikels, net als onder de ongelovigen. Je wordt er niet een beter mens door, denk ik. Maar om de keuze te kunnen maken, moet je wel weten wat er zich tweeduizend jaar geleden al dan niet heeft afgespeeld.

Dat Jezus is gestorven voor onze zonden vind ik lastig te begrijpen. Het klinkt als een vrijbrief, maar dat gaat lijnrecht in tegen wat ik geloof. Ik neem het voor kennisgeving aan, en dat gaat weer lijnrecht in tegen het geloof. Ik blijf erbij, het geloof is iets moeilijks en het is zelfs een grote verantwoording om er mee om te gaan. Maar dat er iets van kennisoverdracht moet gebeuren naar Tamar en Johannes, ja, dat lijkt mij ook. Het zal me niet in dank worden afgenomen als ik het niet overdraag. Hun wieg stond immers niet voor niks waar hij stond.

Een schaap

Ik heb liever niet dat mijn kinderen het woord “scheet” gebruiken. Ik ben wat ouderwets, maar kleine onschuldige kinderen moeten het woord “wind” gebruiken. Het is een kansloze missie, vooral omdat ik zelf altijd in de lach schiet als het over scheten gaat, maar ik blijf het proberen. Ik vond ook dat ze drukken moesten zeggen, maar daar ben ik inmiddels vanaf. Zelfs de huisarts zegt poepen, dus dan moet het geoorloofd zijn. Maar goed, vooral Tammar haalt de begrippen scheetje (dat klinkt al stukken beter) en windje nog wel eens door elkaar. “oho, je mag geen windje zeggen,” zegt ze dan.

Het is overigens verbazingwekkend wat ze allemaal kan laten. Zo laat ze regelmatig een hik en laatst zei ze zelfs dat ze een schaap liet. Dat was een scheet en een gaap tegelijk. Dat zijn toch van die contaminasmen die je maar zo moet laten. Wat ik ook een mooie vind, is dat ik van haar een beetje moet “doorschieten” als ik niet snel genoeg ga. De leeftijd waarop je dingen moet gaan verbeteren heeft ze nog niet bereikt. Ook is dat afhankelijk van wat ze zeggen. Zo heeft Hans het nog steeds over een Golfwagen als hij een VW bedoelt. En de Formule 1 is de familie 1. En soms is het afhankelijk van hoe je ze het geleerd hebt. Zo is hij nog altijd verbaasd als wij ingehaald worden door een Audi. Want die zijn heel langzaam, zo is mijn leer. Ach ja, je kunt ze alles wijsmaken. Maar toch, ook weer niet alles. Want regelmatig krijg ik te horen dat ik dom ben. Zelf dacht ik vroeger dat mijn vader geen bekeuringen kon krijgen omdat hij bij de marechaussee was geweest. “Je mag hier niet parkeren,” zei mijn moeder dan. “Ik wel,” was dan steevast zijn antwoord.

Ach ja, zo word je groot met een heel verkeerd beeld van de werkelijkheid. Aan de andere kant, de werkelijkheid verandert ook elk uur. Dus ik vind dat als een kind een schaap laat, dat je best zo kunt laten.

Pruillip. Klusje voor papa.

Gisterenavond, het was twaalf uur, ik zat nog achter de pc, hoorde ik Hans naar de wc lopen. Het lijkt erop dat hij nu echt zindelijk is. Toen hij terugliep fluisterde hij naar boven (ik zit op zolder) “weltrusten papa”. Misschien meende hij het, misschien wilde hij de aandacht vestigen op het feit dat hij naar de wc was geweest, maar het klonk wel heel aandoenlijk.

Vanavond daarentegen, was het pruillipavond. Hij wilde een spelletje doen voor het naar bed gaan, maar ik had daar niet zo’n zin in. Ik bood aan om een verhaaltje voor te lezen uit zijn boek Pinkeltje. Maar dat wilde hij niet. Dan niet, weltrusten Hans! Op het moment dat je dan bijna zijn kamer uit loopt wil hij ineens toch wel. Maar dan is het te laat. Moet je maar geen nee zeggen. Ik ben niet achterlijk.

Dus ik sta vlak daarna dat boek voor te lezen, moet hij ineens naar de w.c. Poepen nog wel. Alsof ik alle tijd van de wereld heb. Ik liep naar hem toe met het boek, en met mijn neus dichtgeknepen las ik door. Dat vond hij erg grappig. Toen hij zijn billen afveegde en ik de bruine vegen zag, liet ik onder het lezen, nog altijd met dichtgeknepen neus, mijn walging merken. Nou, dan komt-ie helemaal niet meer bij. Ja, mijn grapjes werken nog steeds…

IJlen

Na een intensieve dag brachten we Tammar gisteren koortsig naar bed. Één rode wang heeft ze dan, dan weten we wel hoe laat het is. Na een poosje riep Hans ons in paniek en we rennen naar boven. Twee snikkende kinderen die kennelijk geschrokken waren. Tammar leek wel te ijlen doordat ze naar dingen wees die wij niet zagen. Een kwartiertje later gebeurde er weer hetzelfde. Tammar huilend en in paniek, klappertandend en weer wartaal uitslaand. Ik hield haar handje vast tot ze weer in een onrustige slaap viel.

Midden in de nacht, ik sliep net, gilde ze weer en ik spoedde erheen. Het waren jongens die haar pestte, zei ze. Ik hield haar even vast, maar als ik uit mijn remslaap kom weet ik niet juist te handelen. Ik probeerde haar weer terug te leggen maar dat resulteerde alleen maar in nog harder gegil en ze wees naar een jongetje dat er niet zat. “Die mag mij niet pesten,” gilde ze. Linda kwam eraan, zoals altijd bij de moeilijkere klussen. Tammar smeekte bijna of ze bij ons in bed mocht, met een stemmetje dat mij nog zou overhalen om een misdrijf te begaan. Linda zag dat ze aan mij niks had in deze situatie en nam Tammar over. Ik ging terug naar bed, en ik weet niet precies hoeveel later kwam Linda, zonder Tammar en de nacht was weer stil.

Tammar op glad ijs.

Het was vandaag Tammar’s primeur op het ijs. Het ging al dagenlang over Hans, met z’n nieuwe hockeyschaatsen, terwijl dit ondergeschoven kindje ook steeds zei dat ze wilde schaatsen, maar dat ze eerst nog een beetje moest oefenen. En dan zag ik vandaag, terwijl ik gestressed zat te werken, ik wilde bijna gaan vloeken, deze foto op facebook voorbij komen. Mijn dochter, die zich er zo op had verheugd, staat op het ijs! Ik kreeg er een warm gevoel van. Ik wilde haar bijna bellen om te vragen hoe het ging met schaatsen, maar ik heb het niet gedaan. Ik werkte langer door, maar was nog wel net op tijd thuis om haar vlak voor ze ging slapen nog even naar het schaatsen te vragen. Ze vond het leuk, maar ze moest nog wel een beetje oefenen.

In eerste instantie hadden haar ijzertjes niet goed gezeten, waardoor ze steeds viel. Kapitale fout, want voor hetzelfde geld wil ze nooit meer. Maar gelukkig zette ze door en niet veel later haar eerste negenendertiger neer. Ik geef het je te doen hoor, op zulke ijzertjes.

Sneeuw- en ijspret.

Het was een zware dag. Het begon vol goede moed doordat ik de kinderen meenam voor een sleeritje. Allemaal dik ingepakt trokken we naar buiten. Het was echter gezichtsbedrog. De sneeuw was te weinig om de slee te laten glijden. Bovendien staan er allerlei mensen spastisch hun stoep schoon te vegen omdat ze menen dat de wet nog van kracht is waardoor je aansprakelijk gesteld kunt worden door mensen die hun benen breken over jouw besneeuwde stoep. Sneeuwruimen moet je aan de gemeente overlaten mensen! Want nu heb ik twee zware uren beleefd met twee onwillige koters en een onwillige slee. Ik heb wel nog even het ijs op het kanaal getest en het veilig bevonden.

’s Middags geschaatst met Hans. We stonden nog geen vijf minuten op het ijs of Hans werd al aangesproken op zijn schaatsijzertjes door een vriendinnetje. En als iets slechts is voor je zelfvertrouwen is het wel dat je uitgelachen wordt door een meisje. Gelukkig was de oma van Hans er ook en die sommeerde mij onmiddellijk andere schaatsen te gaan kopen voor haar kleinzoon. Van haar geld. Een kwartiertje later waren we terug met een paar prachtige ijshockeyschaatsen. Hans was met geen ijshockeystick meer van het ijs te slaan. Ik ben natuurlijk nog gevallen omdat ik dacht dat mijn schaatsen wel door een sneeuwhoop zouden snijden. Mijn pols is dik en typen doet al pijn. Maar je bent een doorzetter of je bent het niet.

Het Stockholmsyndroom

Gisteren was mijn nichtje jarig, ze werd vijf, en bijna alle neefjes en nichtjes waren er, plus nog wat buurtkinderen zodat er zeker 20 kinderen rondliepen. Mijn zus kan geen maat houden, dus ook dit feestje kostte waarschijnlijk al meer dan onze complete bruiloft. (Trouwboekje € 15 en ringen € 800,-) De kinderen waren wild en denderden de hele dag door het huis en de tuin. Toch werd er in totaal maar drie keer gehuild. Hans die een bal op zijn gezicht kreeg, en Tammar die eerst een tand door haar lip viel, en later een bloedneus opliep door tegen een schommel op te botsen.

Dan vraag ik me toch af, waarom wordt het niet wat beter verdeeld allemaal? Waarom zijn die van ons zo wild en onbezonnen? En met name Tammar, de ongelukjes vliegen op haar af als ijzer op een magneet.

Het zal u wel eens opgevallen zijn hier en daar, dat Tammar twee handen vol is. En dat ze ons tot waanzin drijft. En dat ze al dreigt met wraakacties als wij haar dreigen. (Dan kom ik gewoon mijn bed weer uit) En dat ze overal aanzit. En dat ze geen vijf seconden haar kop houdt. En ze alles sloopt. Soms geef ik haar al een mep op haar billen maar daar lacht ze om. (Ik heb lekker een luier om) Het is pure terreur en ze houdt ons in haar greep.

Maar goed, u moet me geloven, ze is mijn liefie. Want oh, wat ben ik gek op haar. Linda heeft het ook, al doet die soms haar best om het tegendeel waar te laten lijken. Ik denk dat wij lijden aan het Stockholmsyndroom.

Een ongelukkige timing

Ha, we hadden weer eens een ouderwets verschil van inzicht over de te volgen koers. We zouden naar zwembad “de Scheg” in Deventer gaan. Linda pakt dan al de Mio, dat is ons merk TomTom, en mij irriteert dat. Alsof ik niet in Deventer kan komen. Alsof je een navigatiesysteem nodig hebt om potverdorie een dorp verder te komen. Het moet niet gekker worden. We zaten in de auto en ik reed al volgas en vastberaden richting Deventer. De Mio was de route nog aan het berekenen. Ik dacht nog, ik ga gewoon zo hard dat het signaal de auto niet kan bijhouden, want ik kan zelf wel bij de Scheg komen. En de Mio hield me inderdaad niet bij, want hij startte niet op. Een teken. Naast het station was het, dat had Linda opgezocht, en wat is er makkelijker dan een station te vinden? Ik boog af over de brug, richting zwembad. Tammar had een mooi uitzicht riep ze, toen we langs de dames van plezier reden. Een ongelukkige timing denk ik.

Maar goed, zoals iedereen al aan voelt komen, nergens een bord met station. Toen ik het eerste rondje Deventer erop had zitten, werd de hulp van de Mio ingeroepen, die het inmiddels wel deed, en we kwamen bij het station. Dat was mooi, maar geen zwembad te bekennen. Links niet, rechts niet, en even verderop aan beide kanten ook niet. Nu kwam Linda met het idee om dan maar “de Scheg” in de Mio te programmeren in plaats van station. En ja hoor, we moesten een paar kilometer verderop zijn. Zie je wel, ondingen die navigatiesystemen. Ik had gewoon zelf even moeten kijken voor de route, dan was er geen probleem geweest. Maar de vijandigheid die ik zag toen ik het wilde proberen ondanks dat we nu eenmaal een Mio hebben, weerhield mij van mij plan.

Ik merkte op dat ik het ook vreemd vond, omdat het zwembad in mijn herinnering vlak bij het stadion was. Op dat moment gaf Linda haar fout toe. Stadion en station, sjonge jonge! Achterin de auto vroeg Hans of papa soms weer verkeerd was gereden, want aan mijn reputatie wordt zorgvuldig gewerkt in het gezin. Ik legde me erbij neer en antwoordde dat papa zo dom was om station en stadion door elkaar te halen. Ach ja. Linda zat stilletjes te lachen.

Maar glorie haleluja, daar kwam de Scheg in beeld. En wat denkt u? Naast het station! Hebben ze godsamme twéé stations in Deventer! Om de situatie te redden zocht ik nog of ik een stadion zag, maar nee. Stond ze toch weer voor, Linda pinda poepchinees. Zo werd ze vroeger vaak genoemd, en tegenwoordig weer door Tammar. En mij noemt ze Mack de pies, ook zo’n giller.

Aan het eind van de dag, we hadden de weg terug gevonden, zaten we bij McDonald’s. Wat we zouden eten was ’s ochtends al besproken, maar eigenlijk weet je dan al dat het toch weer McDonald’s wordt. “Want ja, als ik nu nog moet gaan koken”, zegt Linda dan. Ik hoop dat u het herkent, want ik voel me hierin heel alleen staan.

Naast ons kwam een gezin te zitten. Het waren rijke Nederlanders van Chinese afkomst, dat merkte je aan alles. De man was de baas en de vrouw hing vol blingbling. Ongetwijfeld stond er buiten een dikke Mercedes. Ze hadden ook een Nederlands kindje bij zich. Het Nederlandse kindje zei kennelijk iets, maar dat ontging ons. Maar de vader reageerde door te zeggen dat het typisch Nederlands gedrag was, wat hij daar ten toonspreidde. Egoïstisch, zo vulde hij aan. Wij wisten niet zeker of we het goed gehoord hadden, maar de vader herhaalde het nog een keer. Egoïstisch Nederlands gedrag, zei hij tegen het jongetje. Op dat moment zei Tammar: Linda Pinda Poepchinees. Een hele ongelukkige timing.

Compensatie

Aangezien ik geen man ben die een open haard kan plaatsen om zijn vrouw te plezieren, moet ik dat compenseren. Dus nam ik de kinderen vandaag mee naar het zwembad. Of ik dat wel zag zitten, vroeg Linda, maar voor zoiets draai ik mijn hand niet om. En zeker niet als ze thuis hun badkleding al aan trekken.

Toch kwam de stress. Met z’n drieën in een kleedhokje, twee kinderen die het erg interessant vinden om de vergrendeling er steeds af te halen, het kluisje waar je er twee van nodig hebt omdat in één niet alle kleding past, het vijftig cent muntje dat je meegenomen had voor het kluisje, maar waar in werkelijkheid twintig cent muntjes in moesten, Tammar die gelijk naar de wc moest en haar ingewikkelde badpak weer helemaal uittrok en op de grond gooide, haar billen die ineens nat waren en bleven afgeven terwijl ik met de deur open op het damestoilet stond, haar badpak met ingewikkelde kruislingse bandjes waarvan ik geen idee had hoe het werkte, en toen we eindelijk klaar waren en we konden gaan zwemmen, dacht ik er pas aan dat Tammar haar armvleugeltjes niet om had. Terug naar het kluisje, openmaken en er achter komen dat die twintig cent húúr was en geen borg. En dat je dan nóg een twintig cent muntje moet zoeken terwijl de opgepropte kleding het deurtje uit alle macht probeert open te duwen. Gelukkig ben ik rijk en had ik er nog één.

Adem in, adem uit. In het zwembad ging het stukken beter. Maar ik ben dan ook net Johnny Weismuller. Die kon ook geen open haard plaatsen.