Onmacht

Laat ik vooropstellen, ik sla mijn kinderen niet. Ook niet als ze vervelend zijn, het bloed onder mijn nagels vandaan halen of zelfs als ze mij slaan, gewoon niet, daar ben ik heel principieel in. Of ze moeten er het zelf naar gemaakt hebben, dan natuurlijk wel. Maar in principe niet.

Gisteren bemoeide ik me met een trending topic (ja ja) over de corrigerende tik. Sommige mensen vinden het een teken van onmacht, als je slaat. Nou, dat moet u dan nog maar eens aan Mike Tyson vragen, maar ik ben het er niet in alle gevallen mee eens. Soms is het gewoon beter ze eens een stevige mep te verkopen. Bijvoorbeeld als ze zich in je borst vastbijten, wat mij wel eens gebeurd is -ander kind, de mijne doen dat niet- dan moet je hem zo snel mogelijk van je af meppen want mijn hemel, wat doet dat zeer. Ik ben dan inderdaad niet mij machte om de conversatie aan te gaan.

Kinderen een tik geven, ik weet het niet. Ik heb altijd gezegd dat ik niet kan beloven dat ik het volhou tot ze 18 zijn. Als ik een tik uitdeel dan is mijn geduld op. Ja, daar kunnen die kinderen toch niks aan doen, hoor ik u denken. Nee, dat kunnen ze ook niet maar ze moeten ook leren wanneer iemand’s geduld op is. Gisteren had ik het er nog over en ik wist toen nog niet dat ik diezelfde avond al de fout in zou gaan. Tammar moest in bad, maar rende na elk kledingsstuk dat ik bij haar uittrok weer weg, richting ons bed om onder de dekens te gaan liggen en zich te verstoppen. Na een keer of drie nam ik haar onder mijn arm en tilde haar richting douche. Onderweg hield ze zich aan elke deur vast. Een klein tikje met een kam op haar pols volstond.

Ze huilde, gaf me een klap en zei dat ik haar auw had gedaan. Voor de zekerheid gaf ik mezelf even een tikje met die kam. Auw, dat deed nog best zeer. Nee, het is beter geen gepast geweld te gebruiken. Soms luisteren kinderen gewoon niet, daar moeten we ons bij neerleggen.

Vaderhart

Tammar zit in de eindfase van haar klasje op het kinderdagverblijf. Over een poosje zullen haar vriendjes en vriendinnetjes naar de basisschool gaan en moet ze nog een paar maanden als klasseoudste opereren. Een van haar vriendjes heet Sep. Ze heeft het altijd over Sep en Sep en Tammar waren twee handen op één buik. Tammar neemt altijd twee lapjes mee en vanochtend zei ze al tegen mij dat ze er één aan Sep zou geven. Op school aangekomen was Sep er nog niet, maar gelukkig kwam hij er net aan. Tammar en Sedi (een vriendinnetje dat ook gek is op Sep) renden al de hal in en riepen: “Seeeppp!!” En Sep riep met een blij gezicht terug: “Seediiieee!”

Toen Sep zijn jas uithad en naar de klas gebracht werd, bood Tammar hem haar lapje aan, maar hij wees het af, Tammar teleurgesteld achterlatend. Kinderen zijn keihard naar elkaar. Ik had Tammar al gedag gezegd, maar ze kwam nog even een knuffel halen bij mij. Ik weigerde die haar niet, want leren omgaan met teleurstellingen hoeft niet overdreven te worden. Mijn vaderhart liep slechts een klein scheurtje op, want ik weet dat het over een jaar of tien omgekeerd zal zijn. Dan kan Sep smeken om lapjes, hij krijgt ze van haar niet meer. Dan is de macht aan de meisjes.

Gesprekje met Tammar

Ik ben een baby geboren
Toen ik vanavond Tammar naar bed bracht zei ze iets wat mijn aandacht trok.
“Papa, jij hebt een grote duim, ik heb een kleine.”
“Ja, maar toen ik een baby was had ik ook een kleine duim.”
“Ik ben ook een baby geboren.”
“Ja, dat klopt.”
“En toen ik een baby was zat ik mama’s buik en toen deed ik steeds zo.” Ze legde haar handjes op elkaar en hield ze tegen haar oor als op de foto.
“Ja, dat klopt Tammar. En wat deed je toen je in mama’s buik zat?”
“Ik moest alleen eten hebben en slapen.”
“En was het niet donker daarbinnen?”
“Jawel, maar ik vond het niet eng.”

Kijk, nu kunnen we dit natuurlijk afdoen als kinderfantasie omdat wij volwassenen onze geboorte niet meer herinneren, maar ik vind de informatie toch behoorlijk goed gedetailleerd. Ik bedoel, hoe weet mijn dochter van net drie jaar dit allemaal? Nou gewoon, omdat ze zich dat herinnert. Want zo was het precies. Ongeboren baby’s hebben vanaf het moment dat het gehoor zich heeft ontwikkeld grote invloed op hun eigen naam. Want op een gegeven moment -bij ons een maand van tevoren- moet er een naam verzonnen worden. Papa en mama overleggen maar realiseren zich niet dat het kind meeluistert. “Dromelot” heb ik vaak geroepen, want ik las dat in een namenboekje en was daarvan gelijk onder de indruk. (niet echt hoor) Op zo’n moment houdt de baby zich angstvallig stil. Toen de naam Tammar viel begon ze als een achterlijke te seinen vanuit haar baarmoederlijke verblijf: “die wil ik, die wil ik!” Het signaal wordt door moeder opgepikt, en zo weet zij dat het goed is.

Afwijking

Ik heb een afwijking. Natuurlijk. Dat wist u al, maar ik heb er nog één. En deze heb ik pas sinds een jaar ontwikkeld. Want eerst was ik net als alle andere vaders. Ik werd er namelijk niet vrolijk van als ik ’s nachts uit mijn slaap werd gehaald door mijn kinderen. Het gebeurt ook niet dagelijks maar als Hans eenmaal roept, dan roept hij nadat hij is gerustgesteld nog minimaal twee keer. Ik slaapwandel dan naar hem toe, praat wat met hem al weet ik niet waarover, want ik slaap immers, en ik ga terug naar bed en slaap door. Ik ben niet eens moe de volgende ochtend.

Tammar maakt het nog bonter. Die roept mij als ze moet plassen (ze roepen beiden uitsluitend mij midden in de nacht) en daarvoor moet ik wel even ontwaken. Dan zet ik haar op de w.c. en begint ze zachtjes te fluisteren, want ze weet dat de rest nog slaapt. En dat gefluister tussen ons, dat vind ik zo leuk, daar kun je me ’s nachts voor wakker maken. (Mag ik naar beneden?) (Nee, het is nog midden in de nacht) (Maar ik wil niet slapen) (Moet toch) En dan steekt ze haar tong uit, maakt bijbehorend geluid van een harde wind en ik reageer verschrikt. En dan begint ze heel zachtjes maar hikkend te lachen. En nog een keer, en nog een keer. Drie uur ’s nachts is het dan. En wij hebben de grootste lol.

Fotólexie

Ik heb een visuele vorm van dyslexie, genaamd fotólexie. Met de klemtoon op de tweede o. Want tijdens het ontbijt aan het aanrecht, ligt de krant open op het gasfornuis en lees ik berichtjes over gezellige ongelukjes, sfeervolle overvalletjes en fijne schennispleginkjes. Het altijd knusse dorpse leven op de Veluwe veraangenaamt mijn ontbijt al jaren.

Totdat mijn oog viel op een joekel van een foto, prominent in het midden. Aan de zijkant zat een mevrouw die mij bekend voorkwam. Verrek, dat is één van de juffen bij Tammar op de kinderopvang. Ook grappig zeg, zo’n bekende in de krant. “Linda, moet je nu eens kijken! Er staat een juf van Tammar in de krant!”

http://www.destentor.nl/regio/epevaassen/9520481/Nijntje-werd-Kinderopvang-Op-Maat.ece

Ze is me er eentje.

Die Tammar van ons, die heeft laatst zitten viltstiften op de vloer, de tafel en de bank. En alleen de bank houdt dapper stand tegen de schoonmaakmiddelen. Er zit dan wel een Picasso-achtig talent in haar, maar het is nog te vroeg. Nu wil nog niemand haar werk kopen. Linda was erg boos en stuurde haar naar boven. Ze heeft haar lang op haar kamer laten zitten en belde in de tussentijd mij om te vertellen wat er was gebeurd. Ach ja, de bank. We kunnen er nog op zitten.

De dag erna haalde ze het glorix blok uit de houder en gooide het op de grond. Ik was er wederom niet bij, maar Linda stuurde haar naar haar kamer. Maar toen begon ze hartverscheurend te snikken. “Kom je me dan wel snel halen, mama?”  Tsja, dan behoor je natuurlijk consequent te blijven. Maar dat gaat dan ook niet meer. Ze is lief, ze is mijn liefie, maar een hand vol. Ze is ook zo wild, het is niet normaal. Pakt met twee handen mijn wijsvinger en mijn pink, en klemt dan haar benen om mijn been en laat zich achterover vallen. In een splitseconde is het gebeurd en hangt ze daar. Tien keer per dag. Ze rent nog wat houterig maar ze rent wel. En valt vaak voorover. Ze vangt het allemaal wel op met haar armen, maar toch.

We moeten oppassen met haar. Straks krijgt ze een predikaat. ADHD, hondsdolheid of een andere ziekte die overgebracht wordt door wilde beesten, maar ik ben er van overtuigd dat ze volkomen normaal is. Ze heeft een overdosis pit, dat is alles. Ik mag haar wel heel graag eigenlijk. Vooral als ik haar net in bad heb gedaan, haar haren gekamd heb en haar pyjama aantrek en alle zonden weer van haar zijn afgewassen, is ze mijn liefie. voor de zekerheid vraag ik het haar dan even. “Ben jij mijn liefie?” “Ja,” zegt ze dan, “en Hans ook en mama ook.” En vervolgens klimt ze in haar bed. Niet door de daarvoor bedoelde verwijderde spijlen, nee, met een koprol over de hoge rand.

Vaderdag

Alleen met mijn kleine meisje reed ik naar de Julianatoren. Het zou niet druk zijn, want het was zaterdag en geen stralend weer, topdrukte is er op mooie zondagen. Het was er inderdaad ook niet druk, afgezien van CSV Apeldoorn, die een uitje voor de jeugd verzorgde, en 500 motoren met zijspan die onder politiebegeleiding de parkeerplaats op kwamen. De zijspanklasse vergrijst trouwens razendsnel. Ik heb er niet één berijder gezien die niet al volledig grijs of wit was. Toch weerhield dat hen er niet van om in de attracties te stappen.

Tammar had de middag van haar leven. In bijna alle attracties is ze geweest, behalve het spookhuis, want dat stinkt volgens haar. Verder vond ze alles geweldig en als volleerd achtbaangebruikster wist ze ook dat ze haar handjes in de lucht moest steken. Ze heeft zelfs geheel op eigen kracht alle 100 treden van de Julianatoren betreden zodat we uitzicht hadden over de Veluwe. Niet dat dat haar interesseerde, ze wees alweer aan waar ze straks in wilde.

Voor een vader is het ook een grote attractie, zo’n dapper dochtertje van twee die vanuit elke attractie waar ze alleen in zat, lachend naar haar vader zwaait.

Wasbeer m/v. Full Time.

Handig hoor, die bordjes in een pretpark die aangeven vanaf welke lengte kinderen in een attractie mogen. Het heeft mij behoed voor een persoonlijk drama. Want ik zou anders zo in iets gestapt zijn wat er onschuldig uitzag, maar waarbij er een levensgevaarlijke ondergrondse arm omhoog kwam, die de karretjes hoog de lucht in tilde en die daar met een noodgang in plaats van horizontaal, verticaal liet draaien. Want normaal gesproken als je daar achter komt, is het al te laat. Het zou niet de eerste keer geweest zijn dat ik de beugels waarmee ik vastzat, los zou breken en schreeuwend of ze nu helemaal gek waren geworden, naar beneden sprong. Bedankt Tammar, dat je nog geen 1,20 m. bent.

Ponypark Slagharen. Toen ik vijftien was, mijn vader net overleden, zijn we er een weekje geweest. Mijn moeder dacht dat dat wel goed zou zijn voor ons. En dat was ook zo. Het enige wat ik me na 26 jaar nog bekend voorkwam, was het schip dat over de kop ging en de achtbaan. Voor de rest kun je zo’n pretpark niet even 26 jaar links laten liggen zonder dat ze de complete boel verbouwen. Ik heb geen pony gezien, bijvoorbeeld.

Hans had zijn dag niet. Hij was doodop en nadat ik hem ’s avonds in bed legde sliep hij binnen een minuut. Tammar wel, maar die mocht bijna nergens in. Dat is maar goed ook, want ze kent geen angst. Alleen spookhuizen moet ze niks van hebben. “Spookhuis stinkt, bwèèh,” zegt ze dan, haar neus dichtknijpend. Hier was dan wel geen spookhuis, maar een wildwest-attractie in het donker. Ik hield haar vast en voelde haar hartje tekeer gaan. Nee, dat is niks voor haar. Aan het einde van de dag stal ze weer mijn hart door nog even mee te dansen met de wasberen. Alles deed ze na en aan het eind knuffelde ze de wasbeer -met roze dameslaarzen- vier keer. De wasbeer stak wel zijn handen uit naar haar, maar bleef uiterlijk onbewogen. Mensen die een kind knuffelen verliezen doorgaans elke harde trek uit hun gezicht. Degene die in dit pak zat niet hoor. Daar zouden ze wel eens beter op mogen letten, bij de sollicitatieprocedure.

Meneer Lego

Lego f1 Na mijn niet geheel tot tevredenheid afgeronde Knex-avontuur van laatst, bouwde ik vandaag met Hans zijn Lego familie 1 vrachtwagen in elkaar. Het was een klus van een uurtje of twee, maar het ging perfect. Alle tekeningen klopten, en alle onderdeeltjes pasten. Tijdens het bouwen liep ik over van enthousiasme. Ik speelde nog met de gedachte om meneer Lego zelf een brief te sturen waarin ik mijn bewondering zou laten blijken. Want deze formule 1 auto met Scuderia Ferrari stickers klopte tot in detail. Meneer Lego moet wel erg gek zijn met kleine kinderen om zulk fijn speelgoed te vervaardigen.

Nu was Lego ook het favoriete speelgoed van mij en mijn broertje. Wij hadden een ton vol. Zo’n kartonnen wasmiddelton met onderin nog kleine korreltjes wasmiddel die gedoemd waren om daar tot in lengte van jaren te blijven zitten. Wij konden alles maken van Lego. Zo hadden wij beide eens een auto gemaakt van zo min mogelijk onderdelen, slechts de meest noodzakelijke. De auto moest zo stevig mogelijk zijn omdat wij ieder aan een kant van de huiskamer gingen zitten en dan de auto’s op elkaar in lieten rijden. Wiens auto de meeste onderdelen verloor, verloor. Bovendien moest de auto daarna weer eenvoudig in elkaar gezet kunnen worden voor het volgende duel. Het leek misschien wat agressief, maar het was niet anders dan een stel leeuwenwelpen die met elkaar stoeien om zich spelenderwijs voor te bereiden op de harde toekomst.

Nou ja, dat laatste is niet gelukt, want de toekomst is onvoorspelbaar gebleken. Zou de toekomst alleen hard zijn geweest, had je je nog voor kunnen bereiden. Maar dat je later gevechten moest leveren met tegenstanders die hun ziel verkochten, nee, dat zijn geen dingen die een kind moet begrijpen. Een Formule 1 auto is eerlijk. Elk onderdeel draagt bij tot het sneller maken van de auto. En je wint slechts als je als eerste over de streep komt. Zo zit de wereld helaas niet in elkaar. Meneer Lego echter wel. Was iedereen maar als hij.