“Jij heb een glote* piemel en Hans heb een kleine piemel. Mama en ik hebben niet een piemel. Wij hebben een plasser.” Hoe ze aan die wijsheid komt, geen idee maar dit zegt Tammar ongeveer vijf keer per dag. Op de meest onmogelijke momenten. Als je in een winkel staat. Of als je haar net wegbrengt naar de juffrouw van de kinderopvang. Dat laatste is nog niet gebeurd, maar ik ben vast aan het oefenen om het compliment dan quasi-achteloos weg te wuiven. “Mwah, Tammar, dat hoeft niet iedereen te weten hè?” Maar zo zal het natuurlijk niet gaan. Nee hoor. Ze gaat me echt een keer voor schut zetten binnenkort. Ik voel het aan mijn theewater.
Overigens, grote piemelgrapjes doen het altijd erg goed bij mannen onder elkaar. Het liefst slaan ze hem twee keer om hun nek, of na het plassen op het kantoortoilet slaan ze hun hand even tegen de zijkanten van de schotjes, als ware het hun piemel die ze droogslaan. Het blijft toch een kwestie van het andere mannetje imponeren. Ik kan er niks aan doen, maar ik lig dan dubbel. Net als bij scheetgrapjes. De meeste mannen begrijpen deze humor wel. Eigenlijk overtreed ik nu een erecode door het hier te vermelden, maar ach, volgens mij was het allang geen geheim meer. Uiteraard doe ik er nooit aan mee.
* in de ogen van een kind, red.
