Het hoogtepunt

Volgens de levenstrap van een onbekende Hollandse meester, is een mens pas op zijn vijftigste op zijn hoogste punt. Daarna is het een trieste en donkere bedoening. Niemand kijkt het leven nog aan, in plaats daarvan kijkt men afwachtend een andere kant op, totdat men, de leeftijd van 100 jaren bereikt hebbend, omvalt. Voor lichamelijke prestaties gaat het grapje natuurlijk niet op. Zelden dat iemand van 50 olympisch goud behaalt. Maar geestelijk bereik je op je 50e de optimale mix van ervaring en geheugen. Voor je vijftigste is je geheugen beter, maar je ervaring minder, daarna ben je meer ervaren, maar laat je geheugen je vaker in de steek.

Denk niet dat hier enig wetenschappelijk onderzoek aan vooraf ging. Nee, ik verzin het ter plekke zodat ik niet mistroostig achterom hoef te gaan kijken. Tegen de tijd dat ik vijftig ben, nog maar ruim acht jaar, onvoorstelbaar, verzin ik weer wat anders om naar uit te kijken.

Impulsieve educatie

Onze kinderen worden ’s ochtends wakker en zitten dan bovenop de liefberg. Naarmate de dag vordert zetten ze de afdaling in, om tegen de tijd dat ik thuis kom, bijna in het dal te zijn aangeland. Uit zichzelf luisteren is er niet meer bij, en omdat iedereen het meeste van zijn energie wel heeft verbruikt tegen etenstijd, is er geen sprake meer van een geoliede gezinsmachine. Soms herken ik scènes uit de film schatjes. Hans bijvoorbeeld, maar het had net zo goed de andere doerak kunnen zijn, werd verzocht zijn handen te wassen voor het eten. Volgens hem waren ze niet vuil maar toen ik keek wel. Hij was dan ook verontwaardigd toen hij zijn handen moest gaan wassen, trok een pruillip, maakte protesterende geluiden, en zette het begin van een huil in.

Nu heb ik geen idee welk artikel van het educatief handboek in deze situatie toegepast moet worden, maar mij zou vroeger gedreigd zijn met iets waar ik vatbaar voor was, en ik zou mijn handen zijn gaan wassen. En niet dat ik vind dat de opvoedingen van vroeger niet deugden, maar tegenwoordig zijn op één of andere manier de overige omstandigheden zo gewijzigd, dat toepassing van ouderwetse opvoedingen geen voldoening geven bij de opvoeder. In elk geval niet bij mij.

In zo’n geval reageer ik impulsief, zonder me af te vragen of dat wat er in mij opkomt wel educatief verantwoord is. In een ver verleden probeerde ik eens mijn schoonzus bij de opvoeding te helpen door haar zoontje vijf euro te bieden als hij zijn bord leeg at. Nou, zelfs mijn schoonzus verslikte zich op dat moment, en dat wil wat zeggen. Oké, dat was niet slim. Jeugdzorg is daarna nog jaren over de vloer geweest, en dat was waarschijnlijk mijn schuld. Maar goed, ik heb bijgeleerd.

“Hans luister, jij gaat je handen wassen en ik ga me omkleden, en dan doen we wie het eerste klaar is.” Eerst mokte hij nog van nee, maar toen ik snel opstond om naar boven te lopen zag ik al een lach door zijn traan. Ik rende de trap op en ik riep nog tegen Linda dat ze hem niet mocht helpen. “Nee hoor, dat doe ik niet,” riep Linda en ondertussen hoorde ik haar zeggen: “Hans kom snel!” Drie minuten later kwam ik, hard en luid de trap afrennen. Met beide armen geheven en een overwinningskreet roepend, kwam ik de huiskamer in rennen om daar te constateren dat ik verloren had. Mijn overwinningskreet verstomde. Hans zat triomfantelijk en lachend aan tafel. En zo werd het toch nog gezellig.

Stadse geut’ndriet’r!

Ik word een beetje gestoord van die weermannetjes die steeds maar weer vertellen dat het buitje dat er viel een druppel op de gloeiende plaat is. Eerlijk waar, die gasten weten niet waar ze het over hebben. Normaal kunnen ze een bui al niet voorspellen, maar als de bui dan is gevallen en ze dat achteraf juist constateerden, dan moeten ze weer zonodig de bui analyseren. Welnu, de natuur hier vond het heerlijk, die bui. Ze laat dat ook duidelijk zien doordat bomen ineens stukken groener zijn, net als het gras, de vogeltjes fluiten veel vrolijker en er schieten allerlei bloemen waarvan ik de naam niet ken de lucht in.

Maar nee, het helpt allemaal niks. Weermannen zijn al net als boeren. Doen net of ze verstand hebben van regen. Ik hoorde laatst een boer beweren dat een stortbui na lange droogte niet helpt. Tja, als je zo redeneert is het ook logisch dat je boer bent gebleven, denk ik dan. “Nee,” zei de boer, “na een stortbui slaat de grond dicht en kan het water er niet in.” Tuurlijk boer, en dat water zet je hele weiland blank, omdat het de grond niet in kan! Het kan beter nog maanden droog blijven, dat is beter dan een stortbui. En onweer komt de rivier niet over en sterretjes zijn koudvuur en vossen zijn ongedierte.

Oh Heidelberg…

Gisteren heb ik in een Audi gereden. Mijn ex-collega Frits en zijn vrouw kwamen op bezoek en Frits doet het tegenwoordig goed. Hij vond wel dat ik geen ruggengraat had, omdat ik in zijn Audi wilde rijden, maar ik zei dat ik dat deed omdat ik laatst wel belangstelling toonde voor een andere ex-collega met een nieuwe Fiat (er worden daar sinds ik weg ben auto’s van de zaak uitgedeeld) en dat het dan lullig zou zijn als ik voor zijn auto geen belangstelling zou tonen. Dat het meer een soort beleefdheid was. Dat begreep hij en hij gaf toe dat hijzelf ook geen ruggengraat had omdat hij vroeger ook altijd Fiat’s reed, en ineens (toen ik mijn ontslag had ingediend) een VW nam. En nu dus een Audi.

Ondanks dat was het een fijn bezoek. Niet alleen omdat zijn vrouw erbij was, maar ik was ook blij hem weer een keer te zien en ik prees zijn positieve eigenschappen. Linda vond het gênant en verontschuldigde zich tegenover Frits; het was de drank. En inderdaad, een avondje verder vraag ik me ook af hoe ik daarbij kwam. Waarschijnlijk hetzelfde verschijnsel als dat je alle vrouwen mooi begint te vinden na een paar biertjes. Het is zo verraderlijk, alcohol.

Maar eerlijk is eerlijk, Frits is slim, humoristisch, heeft een grote algemene kennis, is muzikaal en ik ben jarenlang vreemd gegaan met zijn vrouw. Al biechtte ik dat laatste wel altijd netjes op, want tegenover vrienden moet je eerlijk blijven. Hij vond het dan ook niet zo heel erg want hij hoefde nooit naar huis te bellen om te vragen wat ze aten, die avond. Dat wist ik immers ook, dus vroeg hij het gewoon aan mij.

Topografisch is hij minder, maar je kunt niet alles hebben. Ik ga binnenkort een weekendje naar Heidelberg en volgens hem lag dat aan de Oostenrijkse grens. Zijn vrouw zei dat hij in de war was en dat hij zich vergiste, maar dat is een gevoelig punt, een man die door een vrouw wordt gecorrigeerd op het gebied van topografie. Hij verzocht mij eens op de kaart te kijken, want ik ga er dan wel heen, maar heb ook geen idee waar het ligt. Maar nee, niet aan de Oostenrijkse grens. Het zich daarbij neerleggen bleek lastig. Want zoals een echte Johan Cruijff trok hij de kaart in twijfel. En hij zette zijn overtuiging kracht bij door een lied in te zetten. “♫Oh, Heidelberg met je mooie grensstation!♫” Dat zongen ze echt niet voor niks, volgens hem.

De ster zonder allures.

Ik zat naar de lucht te kijken en zoals altijd zag ik de Grote beer. De Grote beer wordt ook wel de steelpan genoemd, maar de steelpan is slechts het uiteinde van de beer. Het einde van de steelpan is het einde van de staart. De Grieken hebben dit verzonnen, vandaar dat niemand de Grieken tegenwoordig nog serieus neemt. Vlak naast de tweede ster van de steelpan staat nog een ster. Je moet lang kijken voor je hem ziet. Hij verschuilt zich in het licht van de Grote beer, maar hij staat er ook elke avond. Ik vind dat sympathiek van die ster. Hij is wel een ster, maar heeft bepaald geen sterallures. Blijft netjes op de achtergrond maar is altijd paraat.

Toch vraag ik me af wanneer hij er een keer genoeg van heeft. Dat-ie bij zichzelf denkt: “en nu is het genoeg geweest! Ik wil ook wel eens op de voorgrond! En dat-ie uit het licht van zijn beroemde achterneef treedt en pontificaal in het midden van de steelpan gaat staan. En dat-ie de hele vorm van de steelpan verprutst. Het is een kwestie van tijd, lijkt mij. Misschien breng ik hem wel op een idee. Een ster die in het licht van een andere staat kan tenslotte nooit een grote ster worden.

Het verzoek is om bij de rode vlag te gaan staan.

Een jaar of tien geleden vermaakte in mijzelf wel eens met een videoband -dat is een harddiskrecorder maar dan zonder harddisk- met daarop een conference van het duo Waardenberg en de Jong. Ik moest er niet om schaterlachen, maar het duo had wel een eigen stijl, haalde halsbrekende toeren uit, moet regelmatig blauwe plekken hebben opgelopen en was geweldig om na te spelen met je collega’s. De band is een aantal collega’s langs geweest en daarna riepen we kreten als: “Het verzoek is om bij de rode vlag te gaan staan.” Dat begreep verder niemand, maar dat is ook niet belangrijk. Ik had niet de indruk dat het duo erg bekend was, maar ze hebben toch wel een aantal geweldige sketches achtergelaten. Als u zich eens verveelt achter de computer, moet u eens zoeken op youtube. Linda vond er niet veel aan, maar die vindt the New Kids dan weer leuk. Ik heb ze nooit gezien, maar iets zegt mij dat ik dat na vijf minuten wel bekeken heb. Linda legt zich wat makkelijker neer bij het feit dat smaken verschillen. Ik heb nog wel eens de behoefte iemand te overtuigen dat zijn smaak niet deugt.

http://www.youtube.com/watch?v=-5NiQMNGgmg&feature=related

Het belang van dodenherdenking.

Gisteren keek ik “The boy in the striped pyamas.” Het is een soort van traditie om op 4 mei een oorlogsfilm te kijken, net zoiets als dat je op 24 december een kerstfilm kijkt. Het verhaal in de film was goed, het realiteitsgehalte wat minder, en wat mij betreft hadden de karakters wel wat meer tegen elkaar uitgespeeld mogen worden. De echt doffe ellende werd aan de verbeelding van de kijker overgelaten, zodat je niet gelijk drie dagen van slag bent na het zien van de film.

Het is nog maar kort geleden, de Tweede Wereldoorlog. Nog geen 70 jaar geleden werden gigantische aantallen joden naar de gaskamers geleid, en slechts weinigen wisten op dat moment van het bestaan van de gaskamers af. Dat is tenminste wat ik denk. Pas na de bevrijding werd in volle omvang duidelijk welke verschrikkingen zich daar hadden afgespeeld. Voor zo’n beetje de ergste verschrikkingen ooit, zijn zeventig jaren niet eens zo lang. Ik krijg het slecht gerijmd; zeventig jaren zijn te bevatten, de verschrikkingen niet. Het ergste zijn de verhalen van de ouders met kleine kinderen, die zichzelf indien mogelijk graag hadden opgeofferd als zij daarmee hun kinderen konden sparen, maar zelfs dat werd ze niet gegund door de lage levensvormen in nazipakken. De kinderen moesten hetzelfde lot ondergaan, wat het voor de machteloze ouders nog veel erger maakte dan het al was. Er zijn geen woorden voor. De huidige onschuldige generatie schaamt zich nog steeds over hetgeen hun voorouders aangericht hebben. Het lijkt mij een prima idee om tijdens de nationale dodenherdenking eens een Duitser hierover te laten spreken.

Nu heb ik me wel eens afgevraagd hoelang de dodenherdenking nog door moet gaan. De dodenherdenking is zogenaamd voor alle slachtoffers van oorlogsgeweld sinds de Tweede Wereldoorlog, maar laat mij niet lachen. Zonder die oorlog zou die hele dodenherdenking niks voorstellen. Dodenherdenking ís de Tweede wereldoorlog. Nu is het zo dat de mensen die de oorlog bewust meemaakten, steeds schaarser worden. Je zou dus kunnen stellen dat er over een jaar of dertig niemand meer is die de oorlog bewust meemaakte. En je zou je dus kunnen afvragen of de dodenherdenking dan nog plaats moet vinden. Ja, dat zou je je kunnen afvragen.

Persoonlijk denk ik dat de dodenherdenking en de verhalen over de verschrikkingen ons behoeden tegen herhaling. Dat elk jaar iedereen weer even met zijn neus op de feiten wordt gedrukt. Dat je, al is het maar even, je realiseert dat er geen soldaten in de straat lopen. Dat is toch belangrijk, ondanks het zootje dat we van de vrijheid maken. Zolang er dodenherdenking is, zal een nieuwe Adolf geen gehoor bij een meerderheid vinden. Als de doden niet meer herdacht worden, zal het beeld van de verschrikkingen vervagen en krijgen ze opnieuw een kans. Ja, zo zit het volgens mij.

Moederdagtip!

Nu is het wel zo dat mensen als ze ouder worden, over het algemeen milder worden. En ik weet niet of het een met het ander te maken heeft, of dat men gewoon milder wordt doordat de tijd verstrijkt. Er zijn mensen die zijn zo stronteigenwijs dat ze nog steeds dezelfde theorie aanhangen als toen ze 18 waren. Maar dat is denk ik tegen beter weten in. Nu is het helemaal niet altijd leuk om te ontdekken dat je milder bent geworden, want waar moet je met je frustraties naar toe?

Vroeger dacht ik veel meer zwart-wit. En dat was handig. Want je hebt altijd een oplossing bij de hand. Niet dat je het probleem ook oplost, maar je weet in elk geval wel wat er moet gebeuren. Dus alles wat afweek, kon je gewoon veroordelen, nazi-style. Maar die tijd lijkt voorgoed voorbij. Nu moet ik zo nodig wikken en wegen, een besluit nemen en kiezen uit het beste van twee kwaden. En excuses maken aan degene in wiens nadeel je het besluit nam. Het schiet voor geen meter op. Ik zoek naar de goede eigenschappen van een mens, terwijl de betreffende mens toch overduidelijk slechte dingen deed.

Dus nu is het kijken naar welke kleur het fietsje had in plaats van de doodstraf uitdelen. En daar baal ik van. Want het indelen in hokjes maakt de boel wel stukken overzichtelijker. Hoe kom ik hier nu allemaal weer op? Nou, ik herinnerde mij een bepaalde reclame waar ik frustraties van kreeg. De 18-jarige in mij wilde hele nare dingen doen met de mensen in de reclame. Echt dingen waarvoor je de gevangenis in gaat. Niet echt natuurlijk, maar de agressie die soms kan ontstaan! En nu kan ik daar dus niks meer mee. Het is een frustratie. Een milde weliswaar, maar hij kan er niet uit. U wilt misschien wel weten over welke reclame het ging. Nou, het was een promotiefilmpje voor het volgende groepje. http://www.youtube.com/watch?v=keTBWk1VRFE&feature=fvwrel Moederdagtip!

Afbreuk aan de complottheorie.

Ik ben gek op de complottheorie. Onvermijdelijk zullen ze de kop op steken als er geen bewijs wordt geleverd van de dood van Osama Bin Laden, dus dat wordt smullen. Vroeger toen ik klein was bestond er geen complottheorie. Alles wat je te horen kreeg was waar of gelogen maar complotten kwamen simpelweg niet in het woordenboek voor. Een goede complottheorie werd onderzocht door een journalist, of door een geleerde die een bepaalde bewering in twijfel trok, en die daarvoor geen bewijzen maar duidelijke aanwijzingen had. Uiteraard mocht het motief ook niet ontbreken. Ik weet dat er onder mijn lezers in elk geval één is die niet gelooft dat de Amerikanen op de maan zijn geweest. Hij is niet gek, integendeel. Zijn argumenten zijn plausibel, zijn beweringen gingen niet over één nacht ijs en zijn niet zomaar te ontkrachten. Ik vind dat mooi, maar ik geloof er niet in. Ik weet zo één-twee-drie ook geen enkel geval van een complottheorie die later op waarheid bleek te berusten. De hardnekkige gelover denkt nu bij zichzelf: “nee, logisch, de CIA heeft alle sporen gewist en degenen geliquideerd die de bewijzen in handen hadden.”

Zo blijft de theorie mooi in stand. Ik hou daar wel van. Mooie voorbeelden van complottheorieën zijn de in scène gezette dood van Elvis, de echte dood van Paul McCartney, de crash van een vliegende schotel bij Roswell en natuurlijk de moord op JFK. Voor een goede complottheorie heeft men een goede inlichtingdienst nodig. De bende van Nijvel is er ook zo eentje. Ook dit zou het werk zijn van hooggeplaatste politici. Ik heb mijn hoop er een beetje op gevestigd, dat deze nog eens ontmaskerd worden. België is tenslotte het land van de ongewenste mogelijkheden.

Wat ik wel jammer vind is de afbreuk die er tegenwoordig aan de complottheorie in het algemeen gedaan wordt. Tegenwoordig is er geen journalist, onderzoeker, motief of aanwijzing meer nodig. Een simpele uitspraak van een simpele ziel is voldoende. “Let op mijn woorden!” Of, “dit gaat nog een staartje krijgen!” Natuurlijk, voor de simpele ziel is het prachtig dat hij aandacht krijgt, want kennis is aandacht, maar ik blijf het jammer vinden van de afbreuk. Gelukkig hebben we ook nog de legendes, zoals de Bermudadriehoek en het monster van Loch Ness. Eigenlijk ben ik gek op alles met gebrek aan bewijs. Want zonder bewijs, ga je vrijuit.

Osama Bin Laden

Osama was de door Amerika meest gezochte man. Ik hoorde voor het eerst van hem ergens in de jaren ’90 doordat hij in een film als terrorist werd genoemd. Toen stond hij nog niet op één trouwens. Ik vond het knap dat hij al die tijd uit handen van de Amerikanen wist te blijven. Knap omdat er, zeker na 2001, alles aan gedaan werd om hem te pakken en hij zich toch zolang schuil wist te houden. Doorgaans als ik een overtreding bega, staat er hier dezelfde middag al een agent op de stoep. Ik vind dus ook dat de CIA zich nu bezig mag gaan houden met het opsporen van de Bende van Nijvel. Want de Belgen laten de zaak gewoon verjaren. Er staat potverdorie nog maar één onderzoeker op deze zaak.

Wat ik opvallend vond aan de liquidatie van Osama Bin Laden was dat ze hem mede op het spoor kwamen doordat er vanuit de villa waar hij verbleef, geen mobiel telefoonverkeer werd gepleegd, en er in dat huis geen internet was. Dus de dingen die hem konden verraden, en die hij vermeed ter voorkoming van zijn ontdekking, werkten juist in zijn nadeel. Ik vind het een knap staaltje intelligence. Als je wel internetsporen achterlaat, of mobiel belt, ben je haast onvindbaar in de radiogolven waarmee het luchtruim van de wereld tjokvol zit, als je het niet doet, ben je verdacht. Mijn buurvrouw heeft vandaag haar hyves-account gedelete. Ik zal haar eens gaan schaduwen.