Onze kinderen worden ’s ochtends wakker en zitten dan bovenop de liefberg. Naarmate de dag vordert zetten ze de afdaling in, om tegen de tijd dat ik thuis kom, bijna in het dal te zijn aangeland. Uit zichzelf luisteren is er niet meer bij, en omdat iedereen het meeste van zijn energie wel heeft verbruikt tegen etenstijd, is er geen sprake meer van een geoliede gezinsmachine. Soms herken ik scènes uit de film schatjes. Hans bijvoorbeeld, maar het had net zo goed de andere doerak kunnen zijn, werd verzocht zijn handen te wassen voor het eten. Volgens hem waren ze niet vuil maar toen ik keek wel. Hij was dan ook verontwaardigd toen hij zijn handen moest gaan wassen, trok een pruillip, maakte protesterende geluiden, en zette het begin van een huil in.
Nu heb ik geen idee welk artikel van het educatief handboek in deze situatie toegepast moet worden, maar mij zou vroeger gedreigd zijn met iets waar ik vatbaar voor was, en ik zou mijn handen zijn gaan wassen. En niet dat ik vind dat de opvoedingen van vroeger niet deugden, maar tegenwoordig zijn op één of andere manier de overige omstandigheden zo gewijzigd, dat toepassing van ouderwetse opvoedingen geen voldoening geven bij de opvoeder. In elk geval niet bij mij.
In zo’n geval reageer ik impulsief, zonder me af te vragen of dat wat er in mij opkomt wel educatief verantwoord is. In een ver verleden probeerde ik eens mijn schoonzus bij de opvoeding te helpen door haar zoontje vijf euro te bieden als hij zijn bord leeg at. Nou, zelfs mijn schoonzus verslikte zich op dat moment, en dat wil wat zeggen. Oké, dat was niet slim. Jeugdzorg is daarna nog jaren over de vloer geweest, en dat was waarschijnlijk mijn schuld. Maar goed, ik heb bijgeleerd.
“Hans luister, jij gaat je handen wassen en ik ga me omkleden, en dan doen we wie het eerste klaar is.” Eerst mokte hij nog van nee, maar toen ik snel opstond om naar boven te lopen zag ik al een lach door zijn traan. Ik rende de trap op en ik riep nog tegen Linda dat ze hem niet mocht helpen. “Nee hoor, dat doe ik niet,” riep Linda en ondertussen hoorde ik haar zeggen: “Hans kom snel!” Drie minuten later kwam ik, hard en luid de trap afrennen. Met beide armen geheven en een overwinningskreet roepend, kwam ik de huiskamer in rennen om daar te constateren dat ik verloren had. Mijn overwinningskreet verstomde. Hans zat triomfantelijk en lachend aan tafel. En zo werd het toch nog gezellig.