Volgens mij heb ik het mooiste stukje Nederland vanavond gevonden. Niet dat ik er nog nooit geweest was, maar het viel me ineens op, op deze prachtige lenteavond. Op dit soort mooie avonden rij ik geregeld met de hond naar het bos, naar een voor mij nieuwe plek, en op de boswachter na, ben ik geen mens tegengekomen. Op de terugweg reed ik door het nabijgelegen buurtschap ’t Loar. Op een lenteavond als deze een waar paradijs. Het buurtschap is afgelegen en je komt er alleen als je er zijn moet. Je komt er niet doorheen als je ergens naar toe moet. Ik zag een huisje met een schuur en een groot stuk grond waar ik direct zou willen wonen. Ik denk dat iedereen elkaar er kent.
Ik had vroeger een goede kennis die er geboren was, maar die leeft helaas niet meer. Ik las in de geschiedenis van het buurtschap dat het al 4000 jaar bewoond is, en dat ze er een eigen dialect hadden. Ik had mijn kennis dat wel eens horen zeggen, maar toen was ik minder geïnteresseerd. Het dialect dreigt uit te sterven. De herkomst van het eigen dialect is wat onduidelijk, het kan er mee te maken hebben dat de bewoners veelal werkers van het kasteel waren die van buiten kwamen en samen een eigen taal ontwikkelden, maar het kan ook zijn dat de bewoners afstamden van die 4000 jaar oude beschaving en daarom nog een eigen taal hadden. Interessant, zo’n klein buurtschap op drie kilometer hier vandaan.
De naastgelegen bossen herbergen veel grafheuvels. Ik en de hond stonden er vanavond nog bovenop één. Die moeten de eerste bewoners van ’t Loar gegraven hebben. Ze leefden op de raatakkers (celtic fields) en als ze stierven werden ze naar het bos gebracht. Misschien met meerderen tegelijk, ik weet het niet. Maar mooi en geheimzinnig is het er wel. Ik liep verder. Een zwijn wilde oversteken maar toen het ons zag, maakte het weer rechtsomkeert en verdween de bossen in.
Zomeravond, bos, hond en ik alleen. Paradijs.
Een paar jaar geleden zei ik eens tijdens het ontbijt dat ik nog nooit een slang had gezien in het wild. Diezelfde ochtend kruiste er eentje mijn pad. Van de week zei ik dat ik nog nooit een das had gezien in het wild, vanavond stond ik oog in oog met eentje. Een prachtig beest, zo’n das, en niet zo schuw. Toevallig? Ik denk het niet. Ik ben opgehouden te geloven in toeval. Dat heeft geen enkele zin. Dit duidt eerder op een gave die ik verder moet uitbouwen.Aan de andere kant, ik zag vandaag ook voor het eerst twee vuursalamanders in het wild, en daar had ik niet van te voren op gezinspeeld. Nou ja, het is wat hier op de Veluwe. Er zit hier van alles. Zwijnen, herten, vossen, dassen, reeën, slangen, noem maar op. Alleen de wolf, die heb ik nooit gezien.
Onze hond heeft een klein gedragsprobleempje. ’s Avonds is het het ergst, maar ook op andere momenten wil ze zich laten gelden. Haar rugharen staan overeind en ze begint vast als voorzorgmaatregel te rochelen. Als ze dan een andere hond tegenkomt gaat ze los. Geen houden meer aan, en ik heb de grootste moeite om haar te houden. Ik trek haar aan haar oor, dan begint ze te kermen, maar zodra ik loslaat gaat ze gewoon weer door. Dat is begonnen nadat ze een keer werd aangevallen door twee Stafford terriers. Ze liet het niet op zich zitten en vocht terug. Toen was ik nog trots op haar. Ze had een paar wondjes maar de staffords waren ook niet ongeschonden. Nu is één van de staffords dood -staat geheel los van onze hond- en loopt de mevrouw nog met de andere rond. Die is in zijn eentje iets minder agressief. Als Randi haar ziet, zoals vanochtend, gaat ze weer tekeer. De mevrouw loopt dan hooghartig een andere kant op met zo’n gezicht van: wat een kuthond heb jij. Terwijl de ellende door haar honden is begonnen. De tafels zijn gedraaid.