Er was een tijd dat het leven simpel was. Op school was iedereen gelijk, je leerde wat je moest weten en regels waren regels. Bij overtreding van de regels volgde straf, en de straf werd geaccepteerd. Na de straf was het klaar en deed je weer mee met een schone lei. Ik was kind, de buurt was de wereld, mijn ouders wisten alles en de dood bleef ver weg. Op televisie kwam de man van zes miljoen, met zijn bionische lichaam. Ongekend spannend voor vader en zoon. De volgende dag op school was Lee Majors het gesprek van de dag. Wie had het gezien, en wie kon er het meest over vertellen? Hij kon hoog springen en hard rennen, met zijn bionische oog zag hij haarscherp in de verte, en zijn bionische arm had ongekende kracht. Ik vroeg me niet af of het kon, het was een gegeven.
Ik wist toen al dat ik bijzondere momenten meemaakte. Eind jaren zeventig, die jaren zouden niet meer terugkomen. Ik legde momenten vast in mijn geheugen, en die zou ik altijd kunnen oproepen. Mijn slaapkamer was opgeruimd, mijn bed was schoon, de gordijnen waren dicht en ik las Arendsoog en Witte Veder. Ik had lakens en dekens en ik lag er strak onder. Mijn moeder had me ingestopt. Niemand was ver weg en niks ontbrak. Ik probeerde de tijd stil te zetten, wat voor een klein deel lukte door het op te slaan in mijn geheugen. Later zou ik als Lee Majors worden.
Nu zijn de tijden anders, maar ik herbeleef oude tijden. Mijn kinderen hebben dekbedden, maar ze liggen er strak onder. Ze slapen als roosjes en voor hen is de buurt de wereld. De man van zes miljoen is er niet, maar ik hoop dat zij ook hun vroege jeugd onthouden. Nog steeds ken ik magische momenten. Een schoon bed, een warm huis en weekend. Veel meer is er niet nodig.