Het moet ongeveer 35 jaar geleden zijn, dat ik het voor het laatst speelde. Stratego. Op een of andere manier had een speldoos de reis naar de toekomst overleefd. Ik wist dat het op zolder stond, maar de doos was al die tijd onaangeroerd. Vandaag pakte ik het ineens en speelde het met mijn kinderen. Alleen de spelregels ontbraken, maar die waren zo op te zoeken op internet. Al snel had ik het weer onder de knie. Ik keek naar het deksel met daarop de tekening met soldaten uit Napoleon’s tijd. En op de speelstukken stonden die vertrouwde tekeningen die ik al die tijd niet meer had gezien. De sergeant, met z’n wat ouwe kop en z’n grote snor, de luitenant, een knappe jongeman, de spion met z’n hoge hoed en de mineur, met z’n Duitse helm. Een prachtig spel eigenlijk waarvan ik me alleen kan herinneren dat ik het ’s zomers in de tuin speelde, aan een blauw inklaptafeltje.
Het is nog best een lastig spel, want je kunt je eigen bewegingsvrijheid onbedoeld beperken als je teveel bommen vooraan plaatst. En als je de bommen teveel om je vlag plaatst, weet de tegenstander al gauw waar de vlag zich bevindt. Het is als schaken, maar dan met vrije beginposities. In de moderne versie van Stratego is de spion een vrouw geworden, een soort Mata Hari. Nu ken ik geen spionnen, tenminste niet in hun hoedanigheid als spion, maar ergens is het wel logisch dat alleen een vrouw de hoogste in rang kan verslaan. Maar alleen als die laatste er niet op is bedacht. Want als de maarschalk de spion aanvalt, dan wint de maarschalk. Maarschalk en spion zijn toevallig ook de enige rangen die tevens een vrouwelijke uitgang hebben. Maarschalkse en spionne. In de geschiedenis schijnt er maar één maarschalkse geweest te zijn en meerdere spionnes. Tegen een maarschalkse is de spionne kansloos. Maar ik vind het wel een vreemd woord, maarschalkse. Alsof ze wulps is.









