De rit ernaartoe

Vanavond is het kerstavond en in 2007 schreef ik al over deze dag die je wist dat zou komen. Als Cruijff het gezegd zou hebben, zou het nu geaccepteerd Cruijffiaans zijn, maar dat is niet zo. Het had gekund, maar Cruijff heeft het niet gezegd, en hij zal het ook niet meer zeggen omdat hij ons ontvallen is in 2016. Ik heb nog steeds moeite het te geloven. Ik heb Cruijff altijd heel hoog gehad, als een kerktoren in de verte. Als hij zijn wijsheden over ons uitstrooide, wist je dat de oplossing simpel was. Nu heb ik toch het gevoel dat hij verder weg ligt. Moet de Rooms Katholieke kerk niet eens onderzoeken of Cruijff wonderen verricht heeft, opdat hij heilig verklaard kan worden? Zelf zou hij dat natuurlijk belachelijk vinden, want wat Cruijff deed was logisch. En wonderen zijn per definitie niet logisch.

Deze dag, waarvan je hoopte dat hij zou komen, is aangebroken. Ik hoopte ooit dat mijn kinderen samen met mij op kerstavond naar de film Scrooge -A Christmas Carol- zouden kijken. Het verhaal is misschien wel het mooiste verzonnen verhaal ooit, en verzonnen verhalen bestaan echt zoals u weet, anders zou je ze immers niet kunnen lezen. Of kijken in dit geval. De film luidt Kerstmis in, en als ik eerlijk ben is kerstavond met Scrooge het hoogtepunt van Kerst. En vanavond is het dus voor het eerst dat ik met mijn kinderen naar Ebenezer Scrooge ga kijken. De man is net als Cruijff een voorbeeld voor me. Een zelfstandig boekhouder die wars is van marketing en let op de kosten. Als boekhouders de baas waren, zou de kwaliteit van produkten omhoog moeten. Immers, je kunt geen marketing meer gebruiken om je inferieure assortiment te slijten aan omgekochte klanten. Uiteraard gaat Ebenezer veel te ver en verliest hij de menselijkheid uit het oog. Kerstgeesten moeten hem weer op het rechte pad krijgen, goedschiks en kwaadschiks.

Het is met A Christmas Carol net als met de kersthit ‘driving home for Christmas’. De rit is in werkelijkheid mooier dan kerst zelf, maar de suggestie wordt gewerkt dat het andersom is. Misschien kent u het gezegde over het bezit van de zaak, dat is net zoiets. Als het sneeuwt in de avond is dat mooier dan dat er de volgende morgen sneeuw ligt, tenzij het weekend is. De 1999 nummers ervoor zijn mooier dan de nummer 1. De aanloop is belangrijker dan de sprong. Terwijl het juist om de sprong gaat. En Scrooge op kerstavond gaat over kerst. Maar de rit naar kerst toe is het mooist.

 

 

De platenspeler

Ik heb een enigszins vervroegd verjaardagscadeau gekregen, een soundmaster. Een nostalgisch uitziend apparaat met moderne apparatuur aan boord. Platenspeler, USB, Bluetooth, DAB, cassetterecorder, CD, Radio, en al wat dies meer zij. Nu zit ik mijn eerste platen te draaien. Elvis klinkt zoals ik hem vroeger hoorde en ik hem nog niet kon verstaan. Hij zingt wat nietzeggende liedjes uit films waarvan ik toen nog niet in de gaten had dat het nietszeggende liedjes waren. Ik heb ze honderd keer gedraaid. Elvis’ stem kwam in mijn geheugen en er is nog nooit een imitator geweest die mij kon foppen.

Alle elpees zijn van zolder naar beneden verhuisd en wat ik nooit heb gehoord en geloofd, hoor en geloof ik nu. Elpees klinken beter dan cd’s. Ze kraken misschien een heel klein beetje, maar er is iets wat zich lastig laat omschrijven.De CD klinkt foutloos en benadert de perfectie, waardoor het emotionele gehoor niet mee hoeft te doen. De LP klinkt helderder, echter, warmer. Als bij een echt concert waar mensen er doorheen hoesten. Ik weet het ook niet. Misschien klets ik gewoon maar wat. Maar ik zit alleen in de woonkamer met al mijn muziek van vroeger. Op Facebook reageren mijn vriendjes van vroeger en Elvis zingt “They remind me too much of you.” Nog even en we zjn terug in 1979.

Millau

Tijdens zo’n terugreis waarbij je uren zit te sturen en die je nu eenmaal niet vol praat, gaan de gedachten nog wel eens met mij aan de haal. Weemoedig zijn ze vaak. Gedachten aan het warme land dat je achterliet, aan een vakantie die voorbij is, de regen waarin je weer terecht komt, het wordt er allemaal niet beter op. Ik weet niet wat ik met die gedachten moet. Vroeger, nog niet eens zo heel lang geleden, vond ik weemoedige gedachten fijn. Nog steeds wel, maar als de gedachten weg zijn, blijft het weemoedige gevoel.

Vroeger reed mijn vader ons naar Frankrijk. Zijn lichaamshouding, zijn blik en zijn manier van sturen hebben zich gekloond in mij, dat voel ik als ik rijd. We kwamen door Parijs en Lille, maar Lyon en Luxemburg zou korter zijn geweest. Dat kwam omdat ik graag over het viaduct van Millau wilde, en als je aan het begin een beetje anders rijdt, kom je op de Franse Autoroutes aan het eind heel anders uit. Vroeger gingen wij vaak op vakantie naar Millau. Het viaduct bestond nog niet eens. Ik heb het viaduct een keer gezien toen het nog in aanbouw was, en toen ik er een keer boven vloog, en nu ben ik er dus overheen geweest. En alle keren dacht ik aan mijn vader. De borden langs de weg met Lac de Pareloup, Salles Curan en Pont de Salars, ze doen me allemaal aan hem denken. Stiekem hoop ik dat achter die afslagen alles nog hetzelfde is gebleven.

Ik zat mij tijdens het rijden af te vragen welke dingen die ik onderweg tegenkwam, er vroeger ook al waren, zodat mijn vader ze ook gezien moet hebben.  Ik wist het niet. Ik wist niet eens zeker of de weg er al lag. Dingen die er vroeger ook al waren zijn dingen waaraan ik hecht, zodat 2016 en 1982 nog een beetje hetzelfde zijn. Ik besloot maar dat de bergen die ik zag er vroeger ook al lagen. Alleen stond er toen op elke top een kruis.

Ik hou te veel van het verleden en te weinig van het heden. Dat komt omdat mijn hersenen mij bedriegen en mij de mooie dingen uit het verleden voortdurend laten zien en me de lastige alleen voorspiegelen als ik in een soortgelijke situatie kom. Dat doen mijn hersenen toch nog goed, zo weet ik hoe ik met die lastige situatie om kan gaan. Desondanks is het natuurlijk een waardeloze uitvinding, dat een kind groot wordt.

Een buurt waar je van op aan kon.

Deze foto komt uit het Utrechtse gemeentearchief en is gemaakt in 1967. U ziet hier de IJsselsteinlaan. Dat zegt u hoogstwaarschijnlijk niets, maar het is waar mijn opa en oma woonden. De voorste auto is de Renault 4 van mijn opa en de achterste de Renault Dauphine van mijn vader, die daar denk ik toen net niet meer woonde. Deze hele straat is inmiddels onherstelbaar gerenoveerd, maar zo ongeveer herinner ik het me. Ik was er toen nog niet, en toen ik er wel was waren er iets meer auto’s en stonden er doelen op het veld, maar voor de rest heeft het er vanaf mijn eerste herinnering tot ver in de jaren negentig zo uit gezien. ijsselsteinlaanHet was een keurig nette buurt met mensen van wie je op aan kon. Naast mijn opa en oma woonde een socialist, de heer van Vliet, over wie mijn oma altijd vol bewondering sprak. Aan de andere kant woonde de heer Verweij, over wie zij nauwelijks minder bewonderend sprak. Verderop woonde een gastarbeider, een vriendelijke Italiaan die gebrekkig Nederlands sprak. Op de hoek zat een slager, en op de plek waar de foto is gemaakt zat de bakker. Er stond een telefooncel op de hoek. En alle mensen woonden er in harmonie,  tenminste, dat is wat je er van meekreeg.

Je kon van de buurt op aan. Daar bedoel ik mee, hij veranderde niet onder je kont vandaan. Tegenwoordig ben je net gewend aan je buren, gaan ze meer verdienen, en hup weg zijn ze naar een buurt met meer aanzien. Alleen Anton Geesink, die was al weg. Woonde tot 1965 op nummer 14.

Hoe het toch bestaat dat dit voorgoed voorbij is, ik begrijp er niks van. Het was er altijd en ineens is het weg. Kon je er dan toch niet van op aan?

 

 

Heimat

1980. Het was voor mij een magisch getal. Ik maakte voor het eerst een decenniumwisseling mee. Op het moment dat het zover was stak ik sterretjes af. Ik zwaaide met ze als ware het een toverstaf. Ik zal ook iets gewenst hebben, maar wat, dat herinner ik me niet. Wat ik wel weet is dat het leven eenvoudig was, al moest ik dat jaar naar de middelbare school. In mijn geval, Mavo. Die Mavo brugklas was in een ander dorp, maar dat dorp lag slechts aan de andere kant van de Maasroute. Twee kilometer fietsen, misschien drie. Het jaar erop ging ik naar het hoofdgebouw, nog geen kilometer verwijderd van ons huis. Het jaar daarop verhuisden wij naar Vaassen, en ik ging weer naar de Mavo, één kilometer van ons huis.

De eerste keer dat ik erheen moest, bracht mijn vader mij. Ik vond het imponerend, zo midden in het jaar naar een andere school moeten. In Vaassen spraken ze weliswaar Nederlands, toch was alles anders dan in Drunen. Ze spraken anders, ze waren anders. Ik was blij dat mijn vader me bij het schoolhoofd bracht, die mij vervolgens meegaf met een leraar, welke mij de klas wees waar ik plaats mocht nemen. Ik ging zitten tussen alle vreemde kinderen en hield mij gedeisd. Het weekend erop kwam mijn vader op mijn zolderkamer. Ik huilde vanwege de verhuizing. Alles wat ik had opgebouwd was achtergelaten in Drunen. Ik had heimwee.

Inmiddels is de Mavo in Vaassen er niet meer. Er waren er destijds twee. Hans is nog maar één jaar verwijderd van de vroegere zesde klas, groep 8. Daarna moet hij naar de middelbare school. Minimaal 8 kilometer fietsen naar het volgende dorp. Ik heb nu al een beetje met hem te doen. Ik hoop dat hem veel bespaard blijft van wat mij niet bespaard is gebleven, en dan heb ik het niet alleen over dat eind fietsen. Hoewel ik het wel vreemd vind dat er geen voortgezet onderwijs meer in dit steeds groter wordende dorp zit.

Vroeger was het normaal als je moest verhuizen voor je werk, en wellicht is het dat nog steeds, maar als het even niet anders hoeft, blijven mijn kinderen gewoon op dezelfde school. Ik heb gezien wat een verschil het maakt als je nog steeds woont in de buurt waar je bent opgegroeid, en je onderdeel bent geworden van de plek waar je woont. Je bent dan thuis en hoeft nooit te twijfelen aan waar je wortels liggen. Waar je ook gaat, je afkomst ligt vast, en daar zul je terug keren.

 

Het mooie

Ik reed vanavond even langs mijn oude appartement. Een hatwoning volgens de gemeente. Ook goed. Het was een flatje met één slaapkamer, een huiskamer, een keukentje, douche/wc en een balkon. Ik heb er een jaar of zeven gewoond, en één blik naar boven was genoeg om herinneringen aan die goeie ouwe tijd op te rakelen.

Of die tijd echt zo goed was, dat waag ik te betwijfelen, maar het menselijke geheugen en zeker het mijne heeft de neiging om de mooie dingen te koesteren en de vervelende dingen ergens op te slaan op een plek die minder toegankelijk is. Maar ik kan niet ontkennen dat er mooie dingen gebeurden in die tijd. Ik woonde er alleen en behalve nadelen heeft alleen wonen ook zeker zijn voordelen. Bijvoorbeeld dat je kunt doen en laten wat je wilt. Als ik Formule 1 wilde zien, dan keek ik dat. Als ik ergens naar toe wilde, dan ging ik. En als ik op de bank wilde maffen, dan mafte ik op de bank. Ik had een snelle auto en ik had geld genoeg, want ik maakte weinig op. Ik scheurde ’s nachts over de A50, met bijna 200 km/u naar huis. Ik herinner me een ijskoude nacht met twintig graden vorst maar ik had het binnen warm. Mooie tijden.

Maar aan al het mooie komt een eind, al was het maar omdat het mooie wel moet eindigen om er op terug te kunnen kijken. Je moet het mooie wel kunnen plaatsen in de tijd. Niemand die bij zichzelf denkt: goh, toen ik op mijn huidige adres woonde, dat was nog eens een mooie tijd.

En nee, het was niet allemaal mooi. Ik weet ook dat ik mij soms diep ongelukkig en alleen voelde. Dat weet ik verdomd goed. Maar daar denk je niet aan terug als je het verleden aan het romantiseren bent. Welnee. Je ziet het balkon en het donkere raam en je denkt: ooit had ik daar een mooie tijd.

Brabant

Ik heb het gisteren en vanochtend weer gemerkt. Ik ben een Brabander. PSV, de club waar ik al sinds mijn jeugd voor ben, hield krachtig stand op Old Trafford en deed uiteindelijk niet onder voor Manchester United. Het maakte indruk, en ik voelde me trots, net als de meegereisde fans die na afloop het lied Brabant van Guus Meeuwis inzetten. Ik heb eigenlijk nooit last van heimwee gehad, zingt Guus. Ik had het vanochtend. Ik mag dan in Utrecht zijn geboren, ik heb niet veel met die stad. Ik mag dan veruit het grootste deel van mijn leven in Vaassen wonen, mijn veiligste herinneringen liggen in Brabant. Daar was ik kind en was de toekomst nog ver weg. Ik hoefde me geen zorgen te maken want alles kwam goed.

Ik idealiseer, maar dat wil niet zeggen dat mijn gevoel niet echt is. Mijn vriendjes van vroeger zijn nu op Facebook weer mijn vrienden en het is alsof ze nooit zijn weggeweest. Het voelt als familie. Tot het carnaval weer losbarst. Dan weet ik dat er niks te zoeken heb. Maar tot die tijd…

 

Dingdom

Ik liet de hond uit en hoorde een ouderwetse dingdom. Een dingdom die ik al lang niet meer had gehoord. Ineens zat ik met mijn herinnering in de achtertuin van mijn opa en oma, op de IJsselsteinlaan in Utrecht. In het schuurtje stond een oude herenfiets met zo’n grote dingdom. Ik was er jaloers op want ik had slechts een “tringtring”. Mocht geen naam hebben. Hun achtertuin zal niet groter geweest zijn dan de achtertuin die ik nu heb, maar voor een kind is die kolossaal. Een terras, een pad naar de schuur, daarnaast een stukje gras met in het midden een boom met donkerrode bladeren, en van de schuur liep er een tegelpad naar de poort, die weer uitkwam op een soort brandgang. Je moet er geweest zijn, anders kom je er natuurlijk nooit. Met die “dingdom” werd onmiddellijk een statische herinnering met meerdere aspecten opgeroepen. Ten eerste hoe de tuin eruit zag maar ook welk weerbeeld bij die dingdom hoorde. Herfstig weer, maar niet regenachtig of winderig. Wel vochtig en fris. Wonderlijk eigenlijk hoe zo’n associatie werkt. En de snelheid waarmee je ineens ergens anders bent. Dat geuren het konden heb ik al meerdere malen ervaren, maar dat geluiden het ook doen weet ik mij zo een, twee, drie niet te herinneren. Waarschijnlijk zitten er nog duizenden latente herinneringen in mijn hoofd die wachten op een signaal dat ze mogen aantreden. Ik hoef mij voorlopig niet te vervelen.

Nellie van der Heuvel

Vroeger zaten wij vaak in de auto, zeker in het weekend, het cassettebandje vierde hoogtij. Mijn vader had er denk ik drie die ik mijn hele jeugd aan heb moeten horen. Er zat geen Elvis bij. The Carpenters, Abba, John Denver, Anne Murray en nog wat losse hits uit die tijd. “Vincent” van Don Mclean, “Afternoon Delight” van The Starlight Vocal band, een klassiek stuk en natuurlijk “Tie a yellow ribbon round the old oak tree”

Van de week werd ik wakker van de wekkerradio, en hoorde een bekende melodie. Nellie van der Heuvel uit de vierde klas. Ik sloeg niet gelijk de radio uit maar bleef even luisteren. Omdat het geluid erg zacht stond herkende ik de zanger niet, maar dat was dus Rijk de Gooyer. Hij leende denk ik hetzelfde achtergrondkoortje als dat Gerard Cox gebruikte in zijn “’t is weer voorbij die mooie zomer.”

Het koortje, de keurig uitgesproken woorden en de zomerse mondharmonica brachten het gevoel van de jaren zeventig onmiddellijk terug. Weemoed en geluk wisselen elkaar daar af, soms voel je ze tegelijkertijd. Misschien komt het door de tekst, al heetten de meisjes in de jaren zeventig allang geen Nellie meer, maar Karin of Angelique. Rijk vroeg zich af of Nellie nog zou bestaan. Dat kon je je nog oprecht afvragen vroeger, toen er nog geen Facebook of Linkedin bestond. Maar waarschijnlijk komt het door de oude liefde die voor niemand ooit roest.

Maarschalkse

Het moet ongeveer 35 jaar geleden zijn, dat ik het voor het laatst speelde. Stratego. Op een of andere manier had een speldoos de reis naar de toekomst overleefd. Ik wist dat het op zolder stond, maar de doos was al die tijd onaangeroerd. Vandaag pakte ik het ineens en speelde het met mijn kinderen. Alleen de spelregels ontbraken, maar die waren zo op te zoeken op internet. Al snel had ik het weer onder de knie. Ik keek naar het deksel met daarop de tekening met soldaten uit Napoleon’s tijd. En op de speelstukken stonden die vertrouwde tekeningen die ik al die tijd niet meer had gezien. De sergeant, met z’n wat ouwe kop en z’n grote snor, de luitenant, een knappe jongeman, de spion met z’n hoge hoed en de mineur, met z’n Duitse helm. Een prachtig spel eigenlijk waarvan ik me alleen kan herinneren dat ik het ’s zomers in de tuin speelde, aan een blauw inklaptafeltje.

Het is nog best een lastig spel, want je kunt je eigen bewegingsvrijheid onbedoeld beperken als je teveel bommen vooraan plaatst. En als je de bommen teveel om je vlag plaatst, weet de tegenstander al gauw waar de vlag zich bevindt. Het is als schaken, maar dan met vrije beginposities. In de moderne versie van Stratego is de spion een vrouw geworden, een soort Mata Hari. Nu ken ik geen spionnen, tenminste niet in hun hoedanigheid als spion, maar ergens is het wel logisch dat alleen een vrouw de hoogste in rang kan verslaan. Maar alleen als die laatste er niet op is bedacht. Want als de maarschalk de spion aanvalt, dan wint de maarschalk. Maarschalk en spion zijn toevallig ook de enige rangen die tevens een vrouwelijke uitgang hebben. Maarschalkse en spionne. In de geschiedenis schijnt er maar één maarschalkse geweest te zijn en meerdere spionnes. Tegen een maarschalkse is de spionne kansloos. Maar ik vind het wel een vreemd woord, maarschalkse. Alsof ze wulps is.