Een paar jaar geleden las ik een boek waarin werd uitgelegd hoe de aarde in elkaar zat, hoe zij was ontstaan, hoe we alle hoop op een hiernamaals konden opgeven en hoe alleen wij waren in het heelal. Misschien niet alleen, maar als er al ander leven zou zijn zou het ons nooit ontdekken en wij hen niet, omdat immers niets sneller dan het licht kon reizen en de dichtstbijzijnde planeet die eventueel geschikt zou zijn voor leven, op duizend lichtjaar afstand stond zodat je minimaal duizend jaar onderweg zou zijn. Dat zou je niet overleven. Ik moet zeggen dat het boek mij niet vrolijk stemde. Niet alleen door het arrogante standpunt van de schrijver, maar ik kon er ook niks tegen in brengen.
Nee, ik werd er eerlijk gezegd niet vrolijk van, van de gedachte dat we helemaal op onszelf aangewezen waren en dat alles wat er te ontdekken viel eigenlijk al ontdekt was. Het geloof dat ik had werd ernstig ondermijnd door dat boek. Wonderen moeten wel latent aanwezig zijn in de wereld, want wat doe je hier anders? Gelukkig verdween de impact van het boek een paar weken later weer, maar vooral de wetenschap van de lichtsnelheid en dat we daardoor voor eeuwig op onszelf waren aangewezen, bleef altijd aanwezig als ik naar de sterrenhemel keek.
Tot vandaag dan. Wetenschappers staan verbaasd van zichzelf nu ze een deeltje sneller dan het licht hebben laten reizen. Het moet nog gecontroleerd worden, maar als het waar is dan heeft Albert Einstein de wetenschap afgeremd in plaats van vooruit geholpen. Want zijn relativiteitstheorie werd toch altijd klakkeloos voor waar aangenomen. Terwijl ik maar nooit wilde begrijpen waarom je nou niet als je de lichtsnelheid met je auto genaderd was, gewoon nog de cilinderkop wat verder kon opboren voor meer vermogen, zodat je er overheen kon. Nou, dat was nog helemaal niet zo’n domme gedachte, lijkt het nu. Dat boek kan in elk geval de prullenbak in. En als Einstein al geen gelijk meer heeft, wie dan nog wel?
