Ik ga mij op glad ijs begeven. Zonder schaatsen. En ik doe dat liever niet. Ik ga net als mijn naamgenoot Mack de Hond een oordeel vellen over een zaak waar ik niet alle feiten in ken. Maar het voelt als mijn plicht.
Een boekhouder (dat maakt het dubbel zo erg) is veroordeeld tot 12 jaar (dus eigenlijk 24) gevangenisstraf vanwege de moord op een rijke weduwe. Ik hoef het verder niet uit te leggen want iedereen weet wel over wie het gaat en wat er aan de hand is.
Eerst dacht ik dat hij onschuldig was. Maar toen zijn DNA werd gevonden op de blouse van het slachtoffer vond ik hem een ongelofelijk goede leugenaar en raakte ik overtuigd van zijn schuld.
En nu, na een anderhalf uur durend programma over deze zaak ben ik weer overtuigd van zijn onschuld.
Met het gebruikte bewijs werd de vloer aangeveegd door een DNA-deskundige en een hoogleraar strafrecht. De man zit al vier jaar onschuldig vast.
Totdat er een deskundige van de tegenpartij komt, want dan verander ik weer van mening. En zo wordt de achteloze burger heen en weer gejojood tussen schuldig en onschuldig. Het is nu zelfs zo ver dat ik door dat programma denk dat ik nu ook een deskundige ben in het vellen van een oordeel.
Het meest overtuigende ontlastende bewijs was voor mij zijn vrouw. Een gewone vrouw (dus niet eentje waarbij een kring van vooroordelen als een aureool boven haar mijn hoofd hangt) die zegt: Ik weet toch zeker zelf wel of mijn man een kille moordenaar is of niet?
Mij zouden ze in Amerika graag als jurylid hebben. Uitermate beïnvloedbaar door een geslepen advocaat. En als iemand hoogleraar is heeft-ie wat mij betreft altijd gelijk, want wat die zeggen is waar.
Totdat een andere hoogleraar hem tegenspreekt natuurlijk, maar dat bevatten mijn hersenen niet.