Die gesprekken bij de kapper begin ik ook zo langzamerhand zat te worden. Beter is het als ik voortaan gewoon m'n mond hou. Vroeger knipten ze me, en als ze klaar waren zeiden ze: "Zo, kun je er weer een poosje tegen." En zo hoort het. Maar tegenwoordig is het allemaal beter. Kijk, er zijn lieve kapsters, die glimlachen, hebben een zachte stem en die bezorgen je kippenvel als ze met een scheermesje over je nekharen gaan. En als ze klaar zijn houden ze de spiegel tactisch achter je, zodat je kale plek niet teveel opvalt. Die heb ik het liefst. Maar er zijn ook van die spraakwatervallen, met een schelle stem, die over van alles en nog wat kakelen en tegen wie je af en toe uit beleefdheid iets terug moet zeggen. Als ze met een scheermesje over je nekharen gaan krijg je putten in plaats van pukkels. En als ze die spiegel achter je houden denk je dat Pim Fortuyn is opgestaan uit de dood. Die had ik dus zaterdag.
"Ik zal nog even je nekharen weghalen met een mesje, dan blijft het langer weg." zei ze. Ik antwoordde iets over dat het doorliep naar m'n schouders en dat had ik gewoon niet moeten doen. Want dan zegt zij natuurlijk dat als je ouder wordt dat het dan op plekken komt waar je het niet wilt hebben, en dat het verdwijnt waar je het wel wilt hebben. En dat is niet voor het eerst dat ik die opmerking hoor. "Maar," zei ze, als je die kale plek vervelend vindt, kun je er ook voor kiezen om met de tondeuse alles weg te halen hoor. Maar daar moet je aan toe zijn." Dat vond ik wel erg confronterend. Aan toe zijn? Aan toe zijn? Lafbekken zijn het, die tondeusejongens met hun verborgen gebrek! Alsof het dan net is alsof ze eigenlijk wél haar hebben. Iedereen ziet toch het verschil tussen een kale schedel met een donkere gloed, en een kale schedel die licht weerkaatst? Sjonge jonge.
Nou ja, toen moest ze toch wel even lachen, de muts. Maar volgende keer als ze vragen door wie ik geknipt wil worden zeg ik: "Oh, dat maakt me niet uit." Zoals altijd. Kijk, op de foto ziet u een toevallige voorbijganger met een kale plek.