Met gepaste trots moet ik toch even vertellen dat mijn auto het fantastisch deed tijdens dit motorweekend. Met een lichte inspanning hield ik de accelererende racemonsters goed bij en kon ik vrij makkelijk aanhaken. Op bochtige bergwegen, met slecht weer en bij een slecht wegdek kreeg de auto het steeds makkelijker om te volgen. Ik genoot met volle teugen van zijn krachtige V6, zijn strakke wegligging en zijn directe stuurgedrag. En ook op snelwegen was het vrij makkelijk. Natuurlijk, als ze voluit accelereren zijn ze niet bij te houden, maar de Alfa kraande zich werig. Echter, in de stad of op drukke wegen was het moeilijk ze te volgen, maar gelukkig werd er steeds gewacht als ik een stoplicht niet haalde of als ik nét niet snel genoeg kon oversteken.
Ik kreeg zelfs complimenten over de snelheid van mijn auto en dat het een mooi gezicht was om erachter of ervoor te rijden. Oei, ik groei. Maar het mooiste compliment kreeg mijn Alfa vanavond van mijn bloedeigen vrouw, nadat ik met twee kinderen aan boord met 170 km per uur haar inhaalde op de A50 (omdat Hans dat wilde) en ik in het voorbijgaan een enorm kwaaie kop naar me zag kijken, en thuis zei dat ze wel boos was, maar het stiekem toch wel een heel mooi gezicht vond om een rode Alfa als een streep aan zich voorbij te zien trekken. Ik heb haar even omhelsd want van haar hou ik nog nét iets meer als van mijn Alfa.
Auto’s zullen dus mijn voorkeur boven motoren houden, hoewel ik moet zeggen dat het me best mooi lijkt om rustig door zo’n mooi landschap te toeren op een motor. (mits het mooi weer is). Het allergrootste nadeel van een auto ondervond ik overigens in de Harz. Tijdens een snel stukje bergaf had ik drie motoren voor mij en ééntje achter mij. Ik zag in recordtempo flits, flits, flits, toen kwam mijn flits, en achter mij volgde nog een flits. De motorrijders vonden het een stuk minder erg dan ik, niet omdat ze meer geld hebben, maar omdat ze geen kentekenplaat hebben aan de voorkant.

