Vandaag was het alweer 26 jaar geleden dat mijn vader overleed. Ik vind het niet eens zo gek lang klinken, 26 jaar. Vergeleken met de 41 die ik ben, klinkt het reuzevriendelijk. De man heeft wel zijn sporen nagelaten hoor. Ik herken bijna dagelijks iets van hem, vaak in mezelf, soms in Hans, soms in mijn broer of zus. Ik vind het een vreemd idee dat ik nu mijn vader ben en dat Hans eigenlijk mij is. Het is natuurlijk niet zo, maar toch weer wel. Als ik fiets met Hans naast me, dan weet ik dat de gelijkenis met mijn vader en mij, 35 jaar terug, angstwekkend groot moet zijn. Ik voel dat bepaalde gelaatsuitdrukkingen van mij precies dezelfde zijn. Volgens mijn oma is mijn stem precies hetzelfde. Vroeger zocht ik de gelijkenis op, nu doe ik er niks meer voor en gaat het vanzelf. Ik veegde laatst wat stof van zijn foto en ik vond zijn gezicht wat anders dan anders. Misschien omdat hij daar jonger was dan ik nu, of omdat ik de foto al een tijd niet meer aandachtig bekeken had. Het woord ‘vader’ brengt bij mij ook onmiddellijk een plaatje boven van een knappe man met zwart haar, met mooie handen en dunne benen, een man die in gezelschap nooit uitbundig was en die dan ingehouden lachte. Hij was geen groot prater, maar desondanks toch aanwezig. Ik denk altijd dat dat laatste kenmerkend is voor Leeuwen.
Het is vreemd, maar als ik aan hem denk, dan leeft hij gewoon ergens. Ik weet niet waar, maar het is niet zo dat hij nergens meer is. Ik vind het wel mooi, dat ik hem niet echt kwijt ben al moet ik hem uit mijn herinnering oproepen.
