Er werd onlangs weer klimaatalarm geslagen. Er was al even geen onderzoek gedaan, dus deze keer voegde men een aantal bestaande onderzoeken bij elkaar, en sloeg alarm. Nu stond het onomstotelijk vast dat het onze schuld was. Vorige keren was het nog ‘waarschijnlijk’ en later ‘zeer waarschijnlijk’, maar nu stond het onomstotelijk vast. U weet, als iets onomstotelijk vast staat, is het zo en kunnen alleen Russen het nog omstoten door te zeggen: ‘niet waar.”
Ik raakte in de stress. God, hoe moet dat nu met het klimaat, hoe draai ik die thermostaatknop nu terug zodat de temperatuur maar maximaal 2 graden stijgt? Ik wist het niet. Ik zag reeds doembeelden van zware overstromingen, ijsberen in onze rivieren, mislukte oogsten, honger, en rijken die steeds maar rijker werden en zich voedden met onze angst. Ik voelde me zelfs terneergeslagen. Het was jaren geleden al vijf voor twaalf, en dat is het eigenlijk steeds gebleven, maar dat klopt natuurlijk niet. Kon je de tijd maar terugdraaien! Nee, het is inmiddels al 24 uur voorbij vijf voor twaalf. Wederom staan we op de rand van de afgrond.
Ja, het is kut, maar wat doe je eraan? Niks. Ja, je kunt wat maatregelen nemen die geen zoden aan de dijk zetten maar voor verdere verdeeldheid zorgen. Het echte probleem van overbevolking is toch niet op te lossen. Van de meer dan zes miljard mensen die er zijn is er bovendien niet eentje die een idee heeft wat we hier eigenlijk doen. Nee, een doemscenario schetsen, de schuld bij mij neerleggen en geen oplossing voorschotelen. Geen wonder dat ik me terneergeslagen voelde.
Ik trok aan de noodrem. Mijn noodrem. Ik kan het niet oplossen. De overheid zoekt een balans tussen milieuschade en economische schade. Medemensen die de kans hebben om rijk te worden gaan daarvoor en leggen hun lat wat lager. Ik moet gewoon verder met geen idee hebben wat we hier doen. En als ik in de stress raak schiet niemand daar iets mee op. Je kop in het zand steken is soms helemaal niet zo’n slecht idee.