Vannacht was zwaar. Ik ging om 0:02 uur naar bed, bleef lezen in de Autovisie tot om ongeveer 0:45 het tijdschrift uit mijn handen viel, en deed toen het leeslampje uit. Om 0:46 sliep ik, om om 1:26 weer wakker te worden van een hard huilende Tammar, die door mevrouw Mack onze slaapkamer was binnengehaald. Na een kwartiertje werd zij weer in haar eigen bedje gelegd, onder luid protest, wat ongeveer nog een kwartier aanhield en vervolgens keerde de rust terug. Het was omstreeks 2:00 uur. Vijf minuten later werd ik weer wakker omdat ik ergens een gesprek hoorde. Het werd steeds duidelijker en ik nam aan dat het iemand behaagd had om bij ons in de straat te gaan zitten bellen. Tien minuten later dacht ik: loop gvd eens een end door, en ergerde me. Vijf minuten later had ik er genoeg van en liep naar het openstaande slaapkamerraam om te kijken welke idioot er midden in de nacht ongegeneerd en keihard ging lopen (nou ja, lopen…liep-ie maar) bellen. Zie ik tegen het hekje van onze voortuin twee jongens geleund zitten, waarvan er eentje tegen een telefoon praatte in dezelfde taal popiejopietaal als Joran van der Sloot, dus Nederlands met een raar accent. Zijn vriend hoorde ik zachtjes kankerhoer zeggen en als ik het goed had was dat tegen degene die aan de andere kant van de radiogolf zat.
Ik wachtte even een momentje af en riep toen vanuit het raam dat ze ergens anders hun conversatie moesten gaan voortzetten, en bereidde mij voor op een scheldpartij. Maar tot mijn verbazing boden ze hun excuses aan en verdwenen. Ik heb of overwicht of ze schrokken heel erg van mijn kop. En toen ik weer in bed lag, lag ik nog even te wachten op de steen die weldra door de slaapkamerruit zou komen vliegen, maar ook die bleef uit. Het valt nog niet mee, iemand aanspreken op zijn gedrag, maar ja, dat moet van dit kabinet, dus dan doe ik dat. Het voelde ook als burgerplicht. Ik zag in gedachten Jan Peter Balkenende die me trots toesprak omdat ik zo'n gehoorzame burger ben. Tevreden viel ik weer in slaap.