Meneer B. was mijn wiskundeleraar in Havo 4 en 5. Hij had in Zwitserland gestudeerd en dat moesten wij bijna dagelijks aanhoren. Een klein, autoritair en vrijgezel mannetje dat zichzelf enorm geweldig vond en hele vervelende humor had. Op een paar dingen na want als er een wesp in het lokaal vloog, sloeg hij het klassenboek open op vier oktober, en ging op wespenjacht. Soms duurde het tien minuten, maar aan het eind van de zomer zat het hele klassenboek op die datum vol met vier-oktobertjes zoals hij dat noemde.
Verder had-ie een oude Rover 3500 Vitesse met open dak, en hij kwam soms de straat in rijden met zijn hoofd uit het dak gestoken. En als het hoofd der school binnenkwam zei hij altijd respectloos: "Daar hebben we het opperhoofd."
De man geilde echter op de meisjes uit onze klas, (ik ook, maar ik was 16, hij 55) want hij maakte vaak dubbelzinnige opmerkingen. En hij klakte altijd zijn hakken tegen elkaar als hij iemand groette, en wij verdachten hem van extreemrechtse sympathieën.
Na de zomervakantie zat hij vol met stoere verhalen over het meisje dat hij in Tunesië had leren kennen. Hij had de hele vakantie met haar opgetrokken en hij had haar als cadeautje een klein radiootje gegeven, en daar was ze enorm blij mee. Maar het contact was nu verbroken vertelde hij lachend. Haha.
Toen ik twee jaar later informeerde naar meneer B. hoorde ik dat hij was overleden aan Aids. "Huh, was hij homo dan?" vroeg ik destijds. (1987)