De Alp d’Huez

Vizille, Dimanche le 24 juillet 2011

De Alp d’Huez is een Nederlandse berg. Echter geloof ik niet dat de Fransen daar zelf weet van hebben. Vandaag, twee dagen nadat de Tour hier voorbij kwam, was er weer een wielerwedstrijd. Voor de vorm volgde ik de aanwijzingen van de Police Municipale maar op, maar strikt genomen geldt hier de Nederlandse wet. Want hebben Gert-Jan Theunisse en Peter Winnen hier niet de etappezege op hun naam geschreven?

Wij beklommen de berg met de auto. Al snel was ik de tel van de bochten kwijt. Het wegdek stond volgekalkt met de namen van de renners, zelfs na de finishlijn nog. Eén stuk was compleet oranje. Het moet hier carnaval zijn geweest, twee dagen geleden. Het stijgingspercentage bedraagt 11% in het begin. 11 meter hoger in honderd meter afstand. De ene na de andere fietser beklimt de berg. Ik zag vrouwen omhoog gaan en verbaasde mij daarover, mevrouw Mack vond het belachelijk, dat ik mij daarover verbaasde.

Boven op de Alp namen we de stoeltjeslift. Die was gratis maar naar beneden gaan met de rodelbaan kostte € 3,- pp. Tammar mocht gratis. We deden de baan twee keer en de tweede keer was jammer dat de filmcamera niet liep. Want ik botste bovenop mijn voorganger, een klein Frans jongetje dat heel verontwaardigd keek. Qua hilariteit vergelijkbaar met die keer dat ik door mijn stoel zakte. Jammer dus, en dit jaar ook al geen zwembroekfoto terwijl ik weet dat dat toch is waarop u zit te wachten.

Voor Tammar kochten we een bolletjestrui en voor mij een tour 2011 T-shirt. Hans had al eerder de gele trui gekregen. Ik vond het te ver gaan om een “Alp d’Huez I did it” shirt te kopen al did ik het strikt genomen wel. Want ook met de auto is het een prestatie.

Op de terugweg naar beneden werd ik een paar keer ingehaald door een wielrenner die zich met doodsverachting naar beneden stortte. Ja, het is hier een opwindend stukje Nederland.

De tijdrit

Vizille, Samedi le 23 juillet 2011

Vandaag kwam de tijdrit van de Tour door Vizille. We liepen naar het parcours en kwamen terecht bij een afdaling waar we de eerste al naar beneden zagen suizen. Toen we dichterbij kwamen zagen we de snelheid en het spektakel pas goed. Om de twee minuten kwam er zo’n waaghals, zo’n kleine spierbundel met aerodynamische helm en ossenkopstuur met zeventig kilometer per uur naar beneden denderen. De opwinding die ik voelde bij het zien voorbijkomen was vergelijkbaar met de opwinding die ik voelde bij het zien voorbijkomen van een F1. Het ritueel was steeds hetzelfde; het fluitje van de Gendarme, dan een politiemotor met zwaailicht, daarachter de renner en dan nog één of meerdere (afhankelijk van de status van de renner) volgauto’s.

Aan het einde van de afdaling was een smal winkelstraatje waar de renners doorheen moesten. Het smalle straatje liep niet perfect in het verlengde van de afdaling waardoor de renners een klein knikje en een hobbeltje moesten nemen, maar er werd niet voor afgeremd. We liepen verder door het straatje en als er een renner voorbij kwam op niet meer dan een anderhalve meter afstand stonden we even stil. Een volgauto suisde op minder dan een meter langs ons. Het ging die middag allemaal goed.

Aan het eind van het straatje maakte het parcours een scherpe bocht naar links waarna een klim begon. De renners moesten hier afremmen zodat we ze goed konden zien. Hoogtepunt was Johnny Hoogerland die met geheelde wonden door de bocht kwam. Zijn kuiten waren donkerbruin en zijn littekens leken van lang geleden. Hij werd het hardst aangemoedigd van allemaal. Al voor dat hij in zicht was begon het geroep om Johnny. Het was fantastisch om mee te maken. Zo’n groot spektakel, zoveel politie, pers en helikopters en toch leek het een ongeorganiseerd zootje. Tussen de renners door liepen mensen over het parcours totdat het fluitje van de politie weer klonk en er weer een aankwam.

De besten hebben we niet meer gezien. De kinderen hadden het al zolang volgehouden. Terug op de camping keken we de rest van de tijdrit. T. Martin won op zeven seconden afstand, gevolgd door Evans. Andy Sleck werd uit het geel gereden. Morgen afsluitende formaliteiten in Parijs. Ik ben een tourfan geworden.

Alleen op vakantie

Vizille, Venredi le 22 juillet 2011

Tegenover ons heeft een man alleen zijn tent opgezet. Hij heeft twee fietsen bij zich, een racefiets en een tourfiets. Elke dag fietst hij naar de etappe van de dag om de tour van dichtbij te bekijken. Ik spreek hem af en toe even aan, en ik merk dat hij wat schuchter is maar dat hij de aanspraak toch wel waardeert.

Ik verbaas mij over de zelfredzaamheid van de man. Gisteravond kwam hij pas tegen het donker terug. Hij heeft een gemakkelijke stoel, een tafeltje, wat kaarsjes een lamp en een boek. Ondanks het late tijdstip kookt hij nog voor zichzelf op twee gaspitjes. Rijst, vlees, groente, fruit en een fles wijn staan op het menu. Hij doet zeker een uur over zijn eten. Een vrijgezel en een bon-vivant. Met bewondering sloeg ik het gade vanaf onze veranda. Ik vond mijzelf die ene keer dat ik alleen op vakantie ging een beetje zielig. Maar dat lag geheel aan mij weet ik nu. Mijn doel was om alleen op vakantie te gaan, voor hem is dat slechts het middel. Nee, hij is bepaald niet zielig.

De Tour de France.

Vizille, Jeudi le 21 juillet 2011

Bij de receptie, akwijl zoals de Fransen zeggen, staat ’s middags de televisie aan. Tour de France. Ik ging zitten en bestelde een 1664. Seize, noemen de Fransen dat. De Etappe ging van Italië naar de Galibier. Ik volg de tour niet echt maar dat wil niet zeggen dat ik er geen verstand van heb. Oké, ik wist niet wie er op dat moment in het geel reed en hoe groot zijn voorsprong was, maar dat is een kwestie van even netwerken.

Voeckler dus, en zijn voorsprong op de ontsnapte Andy Sleck bedroeg ongeveer tweeëneenhalve minuut. De onstnapte Andy reed echter op 4 minuten voor de gele trui. Op de Galibier begon Evans eraan te trekken en Voeckler volgde. Contador moest lossen maar het groepje met Evans en Voeckler liep in op Sleck. Andy Sleck won de etappe, zijn broer Frank werd tweede en Voeckler behield de gele trui nipt.

Nu had ik genoeg kennis opgedaan om morgen Alp d’Huez van deskundig commentaar te voorzien. Net zoals alle andere mannen die er zaten. Kennis is aanzien en dat vergaar je door wat cruciale feiten te onthouden. De Tour kent al net zoveel coaches als het voetbal.

Schat zoeken

Vizille, Mercredi le 20 juillet 2011.

Het begon wat regenachtig vandaag. We beginnen er al de balen van te krijgen. En dan zitten wij nog in een superdeluxe IRM, tegenover ons staat een gezin met een klein kind in een klein tentje. We hebben er respect voor, en ook wat medelijden. Maar nee, dank u. Zo’n klein tentje daar krijgen ze me niet gauw meer in, en mijn wederhelft al helemaal niet. Even later klaren het weer en de stemming op de hele camping op. Niemand vindt regen leuk op een camping.

We gaan naar een hangbrug bij Lac du Monteynard die volgens de borden 220 meter lang is en die afhankelijk van de waterstand, 45 tot 85 meter boven het water hangt. Die 220 meter geloofde ik wel, maar die 45 trok ik in twijfel. Meer dan 25 meter was het echt niet, maar goed, aan zulke twijfel heeft verder niemand iets. Ik weet het maar aan de regenval van de laatste dagen.

Het pad terug was een hele klim en voor kleine kinderen haast niet te doen. Ik nam Tammar op mijn nek, de rugzak op mijn rug en wist dat ik het zwaar ging krijgen, maar nu kon ik me niet meer laten kennen. Gelukkig kregen Hans en Linda het ook zwaar en wees ik ze een ander pad dat weliswaar niet naar de auto leidde, maar twee kilometer verderop uitkwam bij een lager gelegen parkeerplaats. Ik kon nu zonder neklast verder het steile pad op om ze dan later met de auto op te pikken. Zo kon ik toch zonder gezichtsverlies een belangrijke leidersrol blijven spelen, en voor een vader is dat zo nu en dan van levensbelang.

’s Avonds vroeg Hans of hij met Kalle mee mocht een schat zoeken. Er schijnen door heel Europa schatten verborgen te liggen die je door middel van coördinaten kunt vinden. Één van die schatten lag hier in de buurt volgens Kalle’s vader. Wij gaven Hans mee in Frankrijk met mensen die we amper een dag kenden. Hans dacht daar zelf al helemaal niet bij na en holde enthousiast naar Kalle’s tent, en wij spraken de zorg eigenlijk alleen voor de vorm even uit. Want als er ergens gevoelsmatig iets ook maar even niet klopt aan de situatie, geef je je kind niet mee.

Een uurtje later waren ze al terug. De schat lag aan de andere kant van de berg en de zon ging al onder. Morgenochtend nieuwe kansen.

De route Napoléon

Vizille, Mardi, le 19 juillet 2011

Omdat het weer des pipes-voler regent in Vizille besluiten we de RN85 richting Gap te nemen. De beroemde Route Napoleon. Ooit heeft de kleine keizer deze route afgelegd toen hij oprukte naar Parijs na zijn ballingschap op het eiland Elba. Uiteraard lag de weg er toen nog niet, dus mag je stellen dat het knap was van Napoleon. Ergens bij Laffrey pronkt nog zijn standbeeld. De route voert langs plaatsen als La Mure, Corps en Gap.

Voor mij heeft de route iets magisch, maar dat heeft weinig met Napoleon te maken en alles met een vakantie in 1993 die ik ooit doorbracht in Corps aan het meer Lac du Sautet. Ik was al een paar jaar niet meer op vakantie geweest en het was de eerste keer dat ik zonder ouders ging. Alles daar overweldigde mij. De drie weken daar waren een afsluiting van een donkere periode.

Ik werd verliefd op de serveerster van het plaatselijke Café du Commerce, Sandrine genaamd, maar het was zo onvermijdelijk dat ik verliefd zou worden dat het ook elke andere serveerster had kunnen zijn. Intenser dan op Sandrine werd ik verliefd op Frankrijk en de Franse Alpen. Aan de overkant van het meertje lag l’Obiou, de hoogste top uit de directe omgeving. Vlak ernaast lag een berg die we “hondenkop” noemden, want hij leek veel op een bloedhond uit een tekenfilm. Het meer was altijd schitterend blauw. Het weggetje van het dorp naar de lager gelegen camping kende uitsluitend bochten, die ik uit mijn hoofd leerde, zo graag wilde ik het allemaal onthouden. Na deze vakantie voelde ik mij als nieuw.

Nu boog ik bij Corps de RN85 af en reed richting het meertje. Er stonden schuimkoppen op vanwege de wind, maar het was nog steeds prachtig van kleur. De top van l’ Obiou was niet zichtbaar door het slechte weer, maar de komische hond ernaast lag er nog steeds en had zich niet bewogen. Het bergweggetje er naartoe kende ik nog precies, maar ik moet hem destijds ook een keer of 50 afgelegd hebben. Het dorp zelf leek onveranderd, op één detail na: Cafe du Commerce zat er niet meer. Maar wat geeft dat als je 18 jaar later met je gezin door deze omgeving rijdt. Dat alleen al is iets wat je destijds onmogelijk kon voorzien.

Bij Gap aangekomen ging het lampje weer branden. Ik besloot het te laten voor wat het was. De RN85 werd achter ons afgesloten vanwege de Tour en dus moesten we via Briancon terug. Twee keer zover bijna. Het lampje deerde mij niet meer. Het zou vanzelf weer uitgaan, net als alles in het leven eigenlijk.

Brabanders

Vizille, Lundi le 18 juillet 2011

De kinderen, maar met name Hans zijn vandaag strontvervelend. Eigenlijk moet ik zeggen, strontverwend. Want ja, op deze camping is wel een zwembad maar geen glijbanen en alle vakantiekadootjes zijn na een kwartier al niet meer interessant. Het is onze eigen schuld, maar die schuiven we gewoon af op de maatschappij. Af en toe heb ik zin om hem een oplawaai te verkopen, maar daar blijft het bij. Er schiet mij te binnen dat ik vroeger op vakantie wel eens op onzachtzinnige wijze bij mijn schouder werd gepakt door mijn vader die me dan dreigend toesprak. Het deed zeer en het maakte indruk, en kennelijk was ik ook strontverwend. En hijzelf wellicht vroeger ook. Misschien is het van alle tijden.

Het goede nieuws is dat Hans een vriendje heeft. Een jongetje van zes uit Breda, genaamd Kalle. Een wat lastige naam want Hans had het over “Kaai” en “Koen”, maar Kalle’s vader bracht uitkomst: hij werd ook aangesproken met Kees en Sjaak, en inderdaad, Kalle reageerde daar gewoon op. Het valt mij de laatste tijd op dat Brabanders relaxte mensen zijn. Gemoedelijk wel, zoals ze over hen zeggen. Verder goed nieuws is dat het mooi weer is en dat het lampje niet meer brandt. Daar word ik relaxed van maar dat kan kloppen, ik heb tenslotte ook in Brabant gewoond.

Een vermoeid kind.

Vizille, Dimanche, le 17 juillet 2011

Tammar zat al een tijdje te staren. Ze is moe, maar geeft er niet aan toe. Ik geef haar een glimlach en heel even glimlacht ze terug. Dit is wat Willy Alberti bedoelde, begrijp ik ineens. Even later zit ik op de veranda, een beetje Frans te oefenen uit “Wat & Hoe”, als Linda mij vraagt of ik Tammar op speciaal verzoek naar bed wil brengen. De kleine meid klaagt over “auw billen” en wil zalf. “Samen?”, vraagt ze, waarmee ze bedoelt of ze zelf ook met haar vinger in het potje met Sudo crème mag.

Even later lees ik haar het verhaal van Hans Brinker, die zijn vinger in de dijk stopte, voor. Ik weet ineens dat dit verhaal niet echt gebeurd kan zijn, maar waarom ik dat deze keer ineens weet, je ne sais quoi. Dan vraagt Tammar of ik bij haar kom slapen. Ze vraagt in de gebiedende wijs. “Jij moet hier slapen.” Het is net haar moeder. Ik ga op het bed van Hans liggen en doe mijn ogen dicht. Na een minuutje of twee hoor ik dat ze in slaap valt. Als ik kijk ligt ze met haar duim in haar mondje en houdt ze een ‘lappie’ vast. Haar bewegingen zijn nog wat onrustig en ze sabbelt hoorbaar op haar duim. Als haar duim uit haar mond valt slaapt ze diep. Ze ligt op haar rug en ik kijk naar de rondingen van haar gezicht. Ik zou haar kunnen tekenen, denk ik.

Nog even blijf ik naar haar kijken en dan ga ik stil de kamer af. Linda kijkt mij ongelovig aan als ik zeg dat ze al slaapt. Ze kijkt door de openstaande deur en vraagt hoe ik dat doe. Een kwestie van geduld, vaderschap en een vermoeide dochter, dat ook.

Het lampje, deel II

Vizille, Dimanche, le 17 juillet 2011

Waarom de eigenaar van de camping twee maanden terug zelfmoord pleegde weet niemand, feit is wel dat hij te pletter viel van de hoge brug. De nieuwe eigenaresse is zijn enige erfgenaam, zijn tien-jarige dochter. Het loopt hier nog niet op rolletjes, logistiek gezien. De regen viel vandaag met bakken naar beneden, van ’s ochtends tot laat in de middag. Ik ben koortsig en heb het koud. Vannacht met twee t-shirts aan geslapen en flink liggen zweten.

Inmiddels is het opgeklaard maar voor dinsdag verwachten ze hier sneeuw. Ik ben nog niet in de stemming. Hadden we dan toch naar een duurderde camping gemoeten? Met animatie? Niet dat onze kinderen daar gebruik van maken maar het geeft zo’n typisch sfeertje en het trekt gezinnen aan. Hier lijken toch erg veel ouderen te zitten die primitief willen kamperen. Ik hoop dat Hans en Tammar zich hier vermaken anders voel ik mij een beetje schuldig. En ook dat brandende lampje in de auto zint mij geenszins. Het kan iets onschuldigs zijn maar vind hier maar eens een Nissan-dealer. Het instructieboekje zegt in het geval van een brandend lampje doodleuk: “vermijd steile hellingen.” Natuurlijk, komt voor elkaar.

Het lampje.

Vizille, le 16 juillet 2011

Vlak voor Dijon begint er een waarschuwingslampje te branden. In een Nissan nota bene. Daarvoor kopen wij geen Japanner! Een belletje naar de garage in Vaassen brengt ons niet veel verder. Op hun advies maak ik de accupool los om te kijken of de storing gereset wordt. Nee dus. In ons hotel word ik aangesproken door Otis uit India. Hij heeft met twee vrienden drie Harley’s gehuurd en toert door Europa. Toevalligerwijs is hij helikoptermonteur dus een auto is voor hem een eitje. Hij luistert naar de motor, vraagt of ik het oliepeil heb gecheckt en controleert of de ventilator aanslaat. Hij concludeert dat we geen probleem hebben en adviseert ons verder te reizen. En op wat ellendige files na, en natuurlijk een brandend lampje, hebben we verder ook geen probleem. Maar moe zijn we wel en ik kan niet zeggen dat de kinderen de reis zonder gedram doorstonden. Maar we zijn er! In mijn geliefde Alpenland.