Pinkeltje

Pinkeltje is een heel klein mannetje, niet groter dan een eenjarige koe, hij is heel oud, hij kan met de dieren praten en geen mens heeft hem ooit gezien behalve Dick Laan. Dick Laan is de schrijver van het verhaal Pinkeltje, maar het is geen verzonnen verhaal. Pinkeltje bestaat namelijk echt want regelmatig brengt hij Mijnheer Dick Laan een bezoek en vertelt hem zijn avonturen.

Het is natuurlijk een leuk grapje van Dick Laan, maar het had wel vérstrekkende gevolgen. Want je verzint een figuur en daarna doe je alsof hij echt bestaat. Dat is nog onwaarschijnlijker dan dat iemand beweert dat hij de zoon van Elvis is. Na Dick Laan volgden enkele beroemdheden zijn voorbeeld door zichzelf een rol toe te delen in hun eigen verhaal. Ik noem een Hitchcock, een Tarantino, een Stephen King.

Pinkeltje echter, gaat zijn eigen gang. Al neemt de natuur nog wel eens een loopje met hem en komt hij op plekken waarvan hij helemaal de bedoeling niet had om heen te gaan. Maar aan de andere kant, is dat niet kenmerkend voor avontuur? Dat je komt op een plek waarvan je het bestaan niet wist? Hieruit volgt dat aardrijkskundeleraren de minst avontuurlijke mensen ter wereld zijn. En mensen die hun dagen slijten in het dorp waar ze geboren zijn, zijn echte avonturiers als ze een keer naar de stad gaan. Gevoelsmatig vergelijkbaar met Columbus, die Amerika ontdekte. Geschiedenisleraren roepen dan gelijk dat Columbus Amerika niet ontdekt heeft, maar dat de Vikingen dat al eeuwen voor hem deden. Kan zijn, maar dat staat niet in de weg dat Columbus Amerika ook ontdekt heeft.

Kortom, avonturisme is in the eye of the beholder. Pinkeltje die uit zijn muizenhol komt. De baby die geboren wordt. De mens die sterft. Een nachtdier dat overdag waakt. Avontuurlijk zijn de onwetenden.

The reflex

Vandaag waren we op een feestje van mijn schoonzus en zwager, ter gelegenheid van hun 12,5 jarige huwelijk. Het was een feestje met activiteiten, daar hou ik van, want iedereen is ’s avonds dan zo uitgeput dat niemand het meer in zijn hoofd haalt de polonaise aan te vangen na het eten. Een van de activiteiten deed een lang vervlogen wens in vervulling gaan. Het was namelijk een kopie van de vallende stokken uit de Tedshow, waarbij ik destijds iedereen die de stokken niet ving maar een sukkel vond.

Ik had het eens aangekeken, maar ik zag dat het voor mij te makkelijk was. Ik besloot het dan maar te doen met als uitgangspositie mijn handen op mijn rug te houden. Dat maakte natuurlijk indruk, vooral omdat ik er zeven van de acht ving. Het is een kwestie van reflexen en als er iets goed ontwikkeld is bij mij, dan zijn het mijn reflexen. Je moet mij nooit in mijn zij prikken als ik het niet zie, want in een schrikreflex weer ik mij af, wat kan leiden tot een onbedoelde blauwe plek. Een jaartje geleden testte de fysiotherapeut mijn voetreflexen, kon niet beter. Twee weken geleden, bij de tandarts, mijn kokhalsreflex, nog nooit zoiets meegemaakt! En het toppunt van reflexen: ik zat laatst met mijn knieën over elkaar achter mijn bureau, waarbij mijn bovenste knie het bureaublad raakte. Op dat moment zette ik een stempel op een factuur, en door het bureaublad heen werd mijn kniereflex geactiveerd, waardoor mijn voet de lucht in schoot. Het is ongelofelijk.

Wat jammer was, was dat Tammar wilde dat ik met haar van de glijbaan af roetsjte. Het ding ging knoerthard, en toen ik bijna beneden was sloeg ik met mijn elleboog op de glijbaan, waardoor ik een pijnlijke schaafwond opliep. Ik verbeet mijn pijn, liep gehavend terug naar de plek waar ik mijn schoenen had uitgedaan, trok ze weer aan en bekeek mijn verwonding. Bloody. Toen de ergste pijn was weggetrokken liet ik de verwonding aan mijn zwager zien. Ik vertelde erbij dat het van de glijbaan was gekomen, wat voor hem aanleiding was mij volkomen belachelijk te maken. Hij had het stoer gevonden als het een verwonding was opgelopen met de luchtbuksschietactiviteit, maar nee, en dan zet hij een nichterig stemmetje op: oh nee, het komt van de glijbaan!

Daar moet ik dan wel beter op trainen. Op mijn nadenkreflex. Voortaan als ik verwondingen oploop, komt het door het ontmantelen van een kernbom.

Adonis

De indruk dat ik een wat te zachtmoedige vader ben is gewekt, en natuurlijk niet geheel onterecht. Dat ik soms uit mijn slof schiet op een moment dat ik zelf chagrijnig ben is nauwelijks een tegenargument. Maar wat ik niet nastreef is vriendjes met mijn kinderen te willen zijn. Ik wil hun vader zijn, maar ik vind ze gewoon leuk. Natuurlijk heb ik geen voorkeur, maar wat ik wel merk is dat mijn grapjes bij Hans een beetje uitgewerkt raken. Die zegt al wel eens: ttt…hoooh, als het te kinderachtig is.

Vanavond zei Linda dat kinderen je vanzelf stom gaan vinden in de puberteit. Dat je daar niks voor hoeft te doen. Ik ben het daar niet mee eens. Ik heb mijn ouders nooit “stom” gevonden. Ik was wel eens kwaad op ze, maar stom in de zin van “ze gedragen zich achterlijk”, nee, niet in de puberteit. Dat kwam later pas. Mijn puberteit kwam ook pas laat op gang, een lichaam schijnt dat uit te kunnen stellen als de geest er nog niet aan toe is, maar daar staat tegenover dat ik nu dan ook nog steeds enorm jeugdig ben. Afgezien van grijze haren, kaalheid, overgewicht, toenemende doofheid, verslechterd zicht, stramme spieren, hortend en stotend plassen, ouderdomsvlekken, broze botten, geheugenverlies, opvattingen uit ’14-’18, humeurigheid en nadruppelen, ben ik nog een echte Adonis.

Weerpraatje

Zo’n koude drie juni heb ik nog nooit meegemaakt. Ik hoorde dat het vandaag dezelfde temperatuur was als eerste kerstdag vorig jaar. En dan dat temperatuurverschil met een week geleden! Weermannen en -vrouwen zijn stronteigenwijs. Ze proberen het dagelijks maar het weer is onvoorspelbaar. Beter zou het zijn als de temperatuur zich langzaam zou opbouwen tot het hoogtepunt op 1 augustus. En daarna weer langzaam terug totdat het op 1 februari op zijn koudst is. Dat zou makkelijker plannen zijn.

Als dat zo vanaf het begin zo geweest was, had niemand vragen gesteld over het weer. Dan was het duidelijk. Aan de andere kant, de sociale contacten zouden niet bestaan hebben, want die zijn begonnen dankzij het onvoorspelbare weer. Zou het weer zich voorspelbaar gedragen en iemand zou op 1 augustus tegen zijn buurman zeggen: weertje hè?” dan zou dat net zoiets zijn als op 25 december: “kerstmisje, niet?”

Ik klaag zelden over het weer, maar waar ik echt niet tegen kan is, als de zomer nog moet beginnen, dat het dan de ene week 30 graden is, en de week erop 12, terwijl je weet dat het nog omhoog moet. Als we weer richting winter gingen vond ik het nog niet zo’n probleem. Ik had de verwarming en een trui aan vandaag.

Flexibel

Ik maakte twee maanden terug de overstap naar mijn huidige werkgever, waar een compleet andere sfeer hangt dan waar ik hiervoor zat, maar ook weer een andere dan waar ik daarvoor zat. Deze overschakeling is niet zo moeilijk, van het conservatieve, godvrezende administratiekantoor met soms vooroorlogse opvattingen naar de compleet losgeslagen anarchie die er hier bij vlagen heerst. Vooral als de vrouwelijke collega’s er allemaal niet zijn, zoals vandaag, dan weet je aan de eettafel werkelijk niet wat je hoort. Ik leer begrippen die ik eigenlijk niet voor mogelijk had gehouden. Vooral van degenen die zich het meest correct gedragen als er klanten bij zijn.

Maar ook op het administratiekantoor heb ik me goed aangepast en vond ik het werk geweldig. Alleen kon ik daar nooit vloeken, en hoewel dat misschien een goede zaak lijkt, is dat niet helemaal waar, want als je als timmerman op je duim slaat, moet je het recht hebben om de frustratie de vrije loop te geven. En dat geldt ook voor en boekhouder die zich aan een envelop snijdt. Gereformeerden hebben geen goed gevoel voor timing, dus die zeggen er direct iets van in plaats van op een tactisch handiger moment. Waardoor je dus haast genoodzaakt bent om te vragen waar hij zich in godsnaam mee bemoeit, maar dat doe je natuurlijk niet, je zegt sorry, ik zal er op letten.

Het is leuk hoor, zo’n sfeertje, maar de boekhouder kan er natuurlijk pas in mee, als de laatste cent verantwoord is. Maar als dat zo is, nou berg je dan maar. Dan kun je als je niet oppast zomaar vier suikerklontjes in je koffie krijgen, of als hij echt op dreef is, een doorzichtig plakbandje over het luistergedeelte van je telefoon.

Gaffelbok

Vanavond dwaalden mijn gedachten af naar de gaffelbok. Misschien heeft u dat ook wel eens. Je bent bezig met niks bijzonders en ineens denk je aan de gaffelbok, terwijl je eigenlijk nog nooit van zo’n beest hebt gehoord. Google en Wikipedia hielpen mij verder. Na weblog zijn dat de grootste verdiensten van het hele internet. Want hoe fijn is het niet dat je alles wat je wilt weten zomaar even op kunt zoeken? De gaffelbok blijkt nauw verwant aan zijn Afrikaanse neef, de swaffelbok. De gaffelbok leeft echter in Amerika. Maar weet u wat ik nu het meest fascinerende vind aan de gaffelbok? Dat hij behoort tot de snelste landzoogdieren ter wereld. Volgens Wikipedia haalt hij met gemak 70 km/u. En dat is even snel als een jachtluipaard, want die haalt ook met gemak 70 km/u.

Amsterdam omgezaagd.

In het bedrijf waar ik werk houden ze van vieren. Ze houden zo van vieren dat ze elk kwartaal vieren. Zo ben ik laatst meegeweest naar de viering van het 4e kwartaal, en nu staat de viering van het eerste kwartaal alweer gepland. Het tweede kwartaal echter, gaat ineens wat minder. Misschien is er een verband met mijn aantreden op 2 april, maar het kan ook met al die vieringen te maken hebben. In elk geval, er is een nieuwe CEO en die is toch iets meer op de kosten. En daarom wordt nu het eerste kwartaal wat goedkoper gevierd dan gebruikelijk. Of het heeft te maken met mijn reactie op het zien van de rekening van de viering van het 4e kwartaal, dat kan ook.

In elk geval, er gaat nu een boot worden gehuurd en er gaat gevaren worden in de grachten van Amsterdam. Als ik iets afgezaagd vind, is het wel Amsterdam. Iedereen die er bij wil horen gaat naar Amsterdam, maar er is in Amsterdam niks wat je bijvoorbeeld in Vaassen niet hebt. Hier kun je ook prima varen op de Grift, of in de Egelbeek, en het is stukken origineler. Ik vind eigenlijk dat Amsterdam zijn langste tijd als hoofdstad wel heeft gehad. Het biedt al jaren niks nieuws meer, er vinden alleen nog herhalingen van zetten plaats door nieuwe generaties.

Onder mijn toekomstige regime is Amsterdam dan ook niet langer meer de hoofdstad van Nederland, ik ben er echter nog niet uit welke stad die rol op zich mag gaan nemen. Ik vind Apeldoorn wel wat. Willem Alexander moet dan van mij op het Loo gaan wonen. Want hij mag dan koning zijn, ik ben de baas. En daar gaat hij zich gewoon weer bezig houden met zaken waar een koning zich zoal mee bezig houdt. Paardrijden, jagen en op de troon zitten. Het belastingkantoor -afdeling ontvanger- is onder handbereik, en die kan hij dan mooi aansturen vanuit zijn paleis. Bovendien ligt Apeldoorn veel meer in het midden van het land dan Amsterdam, dus het land kan ook veel gelijkmatiger geregeerd worden. Nee Amsterdam, geniet nog maar even van je hoofdstadstatus, binnenkort moet je het weer op eigen kracht doen. AGOVV, het nieuwe Ajax.

Japanners.

Sorry, maar ik ben daarnet enorm in de zeik genomen door twee jeugdige betweters, die mij steeds een stap voor waren en ik maar niet begreep hoe ze dat deden. Gelukkig is me de truuk verteld want ik werd gek. Nu ben ik weer rustig.

Kan ik eindelijk beginnen aan dit logje, 0:20 is het inmiddels, maar het volgende moet even besproken worden. Want over 1000 jaar zijn er geen Japanners meer. Hun sterftecijfer is hoger dan hun geboortecijfer. En nu kunnen we onze schouders ophalen en denken, ik ging toch zelden naar de Japanner, maar hetzelfde lot gaat alle volken vroeg of laat treffen.

Toch weerleg ik de voorspelling eenvoudig. Want er wordt een vreemde denkfout gemaakt. Stel dat er over 999 jaar nog twee Japanners over zijn. Laten we de ene Adamhito en de andere Evasaki noemen. Dan begint het gewoon weer van voor af aan. Volkomen logisch. Ik snap alleen niet waarom die sterftecijferonderzoekers dat zelf niet verzinnen.

De trage evolutie.

Als ik zou moeten goedmaken wat ik dit weekeinde heb misdaan, dan zou ik drie marathons achter elkaar moeten lopen. Want wat een gevreet en gezuip. Bah! De calorieën binnen krijgen, dat kan elke boerenlul, maar ze weer verbranden, daar zit hem de kneep. Een lichaam weet niet wat hem overkomt en slaat wanhopig alle reserves op uit vrees dat er een hongersnood komt. Maar wanneer was de laatste grote hongersnood in West-Europa? Dan hebben we het toch al gauw weer over zeventig jaar geleden en dat was nog niet eens een hongersnood door gebrekkige oogsten, nee die was de schuld van de Duitsers.

Dus klopt het nog wel, wat het lichaam doet, evolutietechnisch gezien? De evolutie kan het West-Europese tempo op geen stukken na bij houden natuurlijk. Want ons lichaam zou nu toch alles wat teveel binnenkomt onmiddellijk uit moeten braken, of om moeten zetten in schone lucht. Maar ik geef het je te doen, shoarma omzetten in schone lucht. Zelfs evolutie’s grootste concurrent, de religie, zou dat niet kunnen. Nee, in plaats daarvan worden de verzadigde vetten opgeslagen op voor de mens vernederende wijze, en ook duidelijk laat zij zien dat het om verzadigde vetten gaat. Van die vetten waarvan de hele camping denkt: wat moet je met die blubber?

Natuurlijk heeft de evolutie ervoor gezorgd dat de hersenen ook een sein krijgen als er een teveel aan verzadigde vetten in het lichaam wordt opgehoopt. De hersenen geven een waarschuwing dat er ingegrepen moet worden nu het nog kan. En de mens reageert dankbaar voor zulke verstandige hersenen en zweert bij zichzelf dat hij de komende drie maanden alleen nog maar sla eet. Helaas duurt de bezinning slechts tot de volgende morgen, als de hersenen weer een tegenstrijdig en verkeerd signaal afgeven, namelijk dat het lichaam honger heeft. En omdat wij geleerd hebben te luisteren naar ons lichaam, begint de jacht op verzadigde vetten weer van voor af aan. Nee, de evolutie is bepaald nog niet klaar. Of eigenlijk wel, maar tegen de zondige mens is toch geen kruid gewassen.