Op dinsdagavond ga ik naar mijn moeder. Dat doe ik al jaren en soms is het een opgave. Vroeger bleef ik tot twaalf uur, maar dat werd me te gek. Mijn moeder is niet makkelijk voor zichzelf, ze is eenzaam en somber. Maar meestal, niet altijd, is ze aan het eind van de avond wel weer opgeknapt, zelfs van maagpijn en hoofdpijn. Ze neemt de last van de wereld op haar schouders en grossiert in negativiteit en maakt problemen die er niet zijn. Bijvoorbeeld de erfenis. Als ik ergens niet op zit te wachten is het een erfenis. Maar mijn moeder wil toch wat nalaten, want mijn opa en oma hadden ook al niets nagelaten.
Dat ziet ze echt verkeerd. Mijn opa en oma hebben mij -en alle andere kleinkinderen- ontzettend veel nagelaten. We zagen ze elke twee weken en misschien vaker. Ik heb vaak bij ze gelogeerd en dan kreeg ik een superstrak opgemaakt bed met lakens en dekens. Ik kreeg ontbijt met donkerbruin brood dat mijn opa elke dag bij de bakker haalde. Ik kreeg pindakaas van een ander merk dan wij hadden. Ik speelde monopolie met mijn oma. Ze gingen ‘s zomers bijna vier weken met ons op vakantie naar Zuid Frankrijk. Wij mochten dan om beurten een stuk bij hun in de auto. Ik beklom de Dom met mijn opa en ik ging met ze met de bus naar Hoog-Catharijne. Ze waren altijd blij als we kwamen. Ze hadden een rijtjeshuis met een kachel en een golfplaten overkapping waar je kon zitten als het goot. Hoezo heb ik geen erfenis gehad?