Als jonge jongen zat ik wel eens te bouwen met mijn stereoapparatuur. Dan bouwde ik versterkers aan elkaar, sloot overal luidsprekers aan en alle apparatuur die ik had verbond ik met die éne superhydraulische-megasymfonische geluidsinstallatie. Ik versterkte wat af in die dagen. Maar ik was nooit tevreden met het eindresultaat. Het was gewoon té, het geluid vervormde bij het minste of geringste draaitje aan één van de volumeknoppen en ik besloot het weer terug te brengen tot Al Qaida, de basis. Dan waardeerde ik weer het simpele maar heldere geluid dat uit twee eenzame luidsprekers kwam. Er was weer harmonie.
Daarover doordenkend begrijp ik nu dat ik daar waarschijnlijk een belangrijke levensles leerde. Er is zoveel randapparatuur om het leven te veraangenamen dat ik wel eens vrees dat als ik oud ben, en mijn kinderen willen me niet meer, dat ik dan in een bejaardenhuis zit te wachten tot er een verpleegster komt die mij helpt om naar het toilet te gaan. Maar omdat het net lunchpauze is komt ze pas een half uur nadat ik op het belletje heb gedrukt. Nou ja, ik heb toch een luier aan. Laat ik de tijd die ik nog heb nuttig besteden en lekker doorgaan met uit het raam kijken en dood willen. Wat zeur ik nu? Donderdag word ik alweer gewassen!
Op de bordjes in de dierentuin staat bij elke kooi dat het betreffende dier in gevangenschap veel ouder wordt dan in de vrije natuur. Dat je dus maar bevoorrecht bent als je in de dierentuin zit. Ik zag eens een documentaire over het leven van een jachtluipaard. Toen hij zijn einde voelde naderen trok hij zich terug en ging onder een struik liggen. En de commentaarstem sprak: "Nog een laatste keer keek hij over het gebied waar hij ooit over had geheerst. Toen legde hij zijn kop neer om hem nooit meer op te heffen." En ik zat met tranen in mijn ogen. Had-ie maar in een dierentuin gezeten, de arme drommel.