Mercredi, le 22-7-2009
Vandaag begaven vader en zoon zich naar Largentière toen de vrouwen hun middagdutje deden. We zouden naar het riviertje gaan dat door de kelder van het dorpje stroomt. Het riviertje is op de meeste plaatsen ondiep, variërend van 1 centimeter tot ongeveer anderhalve meter. Het krioelde er van de kleine visjes, waarvan ik het soort niet helemaal thuis kon brengen. John West volgens mij. Maar ze leken best veel op stekelbaarsjes. Op de diepere plekken zwommen wat grotere vissen, dat leken mij voorntjes. Gordons heten die in het Frans, als ik het mij goed herinner uit een Frans visverleden. Maar wij daalden de tien meter hoge trap af op zoek naar de slang die we daar die ochtend hadden gezien. Het zal denk ik een ringslang zijn geweest die ineens zijn kop tot twee keer toe op een halve meter afstand van ons tot bijna aan de oppervlakte stak. Daarna liet hij zich weer terugzakken in een stuk plastic waar hij kennelijk woonde.
Hans en ik hebben er bijna twee uur doorgebracht, lopend over de rotsen die in het riviertje lagen. Ik hield continue zijn pols vast zodat hij nergens in het water zou vallen. De slang hebben we niet meer gezien maar hier werd aan de vader-zoon relatie gebouwd. Twee uur ben ik hem voorgegaan naar de plekken die hij aanwees. "Hoe moeten we daar nou komen?" vroeg hij dan. "Volg mij maar, Hans," zei ik dan. Het was rond het middaguur en het dorpje was in rust. Alleen Hans en ik waren zichtbaar in de weer. Twee volmaakte uren werden toegevoegd aan mijn leven.