Ik liep vandaag met Tammar in de kinderwagen dezelfde ronde als ik drie jaar geleden met Hans altijd liep. De wijk uit, door de weilanden langs de sjetland-sjonnies en aan de andere kant van de wijk via een wandelpaadje er weer in. Een rondje van een half uurtje, net niet genoeg om vet te verbranden maar ach…Tammar weer eventjes zoet en ik heb toch weer een beetje beweging.
Toen ik de wijk weer in liep zag ik een man op zijn knieën in de tuin werken. Op een afstandje vreesde ik iets te zien waar ik grote angst voor had. Het grootste bouwvakkersdecolleté aller tijden. De scheur leek net onder zijn schouderbladen te beginnen. En bij iedere stap die ik dichterbij kwam werd het donkerder, ten teken dat ik een zwart gat naderde. Mijn vrees was dus juist. Gelukkig werden Tammar en ik niet verzwolgen door het zwarte gat, het enige was dat het licht aan ons onttrokken werd. En toen ik zo ongeveer ter hoogte van de man liep, zag ik het absolute donkerpunt. Het zicht was nul. Zelfs een uil had zich op dat moment te pletter gevlogen.
Op het moment dat ik de man passeerde, viel het licht ineens weer in, en enigszins verblind zei ik de man gedag. Hij groette terug en hij trok snel zijn broek op. En ineens was het ook achter me weer licht.