Julia

Wij keken gisteren “De storm”, een Nederlandse film over de waternoodsramp van 1953. Het verhaal gaat over de zoektocht van een strijdlustige moeder, Julia, naar haar baby, die ze kwijtraakte tijdens de ramp. De moeder was de schande van het Zeeuwse dorp, omdat ze zwanger was geraakt en het de vader te heet onder de voeten werd. Een andere moeder, die onlangs haar baby was kwijtgeraakt, had het jongetje gestolen. Tijdens de nachtelijke opvang in een hotel, hoort Julia haar baby huilen. Niemand gelooft haar en men veracht haar. De volgende morgen hoort ze haar kind nogmaals huilen maar als ze wanhopig op onderzoek uitgaat, blijft de baby door een toevalligheid uit haar zicht.

18 jaar later ontdekt ze door dezelfde toevalligheid die haar kind eerst bij haar weghield, dat de zoon van de andere moeder, haar kind is. De andere moeder kan niet anders dan het verhaal opbiechten en zo valt Julia haar zoon in z’n armen. Triest genoeg verontschuldigt ze zich huilend naar haar kind, kennelijk omdat ze niet goed genoeg gezocht had.

De band van een moeder met haar kind komt in deze film sterk tot uitdrukking. De moeder brengt zichzelf zonder na te denken in levensgevaar om haar kind te redden. Ze herkent het huilen van haar eigen baby uit duizenden. 18 jaar later is de band nog steeds niet verbroken. Het is misschien wel de sterkste band die er bestaat en overal om ons heen aanwezig.

Intuïtie

Ik keek op deze kerstavond naar een interview, gehouden door Paul Witteman, gehouden met Herman Finkers. Paul stelde de vragen, Herman gaf zijn visie, maar stelde ook een paar wedervragen, en Paul was ervaren genoeg om er ook op te kunnen antwoorden. Mogelijk hebben we in de persoon van Herman te maken met een bijzonder mens. Eigenlijk weet ik het wel zeker. Herman is een filosoof, meer nog dan een grappenmaker. Ik zou met hem wel eens een lange autorit willen maken zodat ik hem eens kon vragen hoe het nu werkelijk zit. Volgens mij weet hij er namelijk meer van. Waarvan? Nou, van de dingen die je wilt weten.

Hij vraagt zichzelf constant af wat hij nu bedoelt, maar zijn bedoelingen gaan een kant op en hoeven niet bijgestuurd te worden. Niet ieders kant, en niet de enige kant, maar wel de kant die ik intuïtief ook op zou gaan.

De enige keer dat ik bij zijn show was, had die wat mij betrof nog rustig twee uur langer mogen doorgaan. Dit in tegenstelling tot voorstellingen van andere cabaretiers, waarbij je op een gegeven moment toch naar het einde begint te verlangen. Ik neem zijn woorden in me op zonder dat de betekenis ervan ten volle tot me doordringt. Maar die me wel een richting op sturen, de richting die ik lange tijd geleden al heb bepaald.

Jochie

Ik ging gisteren op bezoek bij mijn oma, 94 inmiddels, en voor mij was het de eerste keer sinds ze in een woonzorgcentrum woont. Ze is daar terecht gekomen na een ziekenhuisopname. Haar korte termijn geheugen is niet meer goed, haar lange termijn geheugen nog uitstekend. Ze heeft zich altijd verzet tegen uithuisplaatsing, maar haar dochter -mijn gekke tante Vera- die veel goede praktische dingen regelt, heeft haar hier naartoe verhuisd.

Kwaad en verdrietig was mijn oma dan ook, toen ze uit het ziekenhuis naar haar nieuwe woning werd gebracht. Toch begint ze te wennen. Zelf zegt ze -vijf keer in vijf minuten- dat ze niet mag klagen, dat ze goed voor haar zorgen, maar dat het niet haar leven is. Heel oud zijn wil niemand, maar vrijwel iedereen doet zijn best om het toch te worden.

Goed, ik belde aan, een stem vroeg voor wie ik kwam, ik noemde mijn oma’s naam en er werd gezegd dat ze in de zaal zat en dat ik binnen kon komen. Ik liep naar de zaal, waar net iets met muziek werd gedaan en ik stond oog in oog met 50 nieuwsgierige bejaarden. De klassieke muziek klonk hard, en allemaal staarden ze mij aan. Een begeleidster vroeg door de microfoon voor wie ik kwam en ik zei dat ik voor mijn oma kwam. Ik zocht haar maar zag haar niet. “Ha Maurice, ha jochie,” riep ze. (Ik heet Mack dus ik weet ook niet waarom ze me Maurice noemde. Zal wel met haar geheugen te maken hebben.) Ik liep naar haar toe en kuste haar. Ik voelde jaloerse blikken van bejaarde vrouwen in mijn rug. Eentje vroeg of ik soms ook koffie wilde, maar daar wilde mijn oma niks van weten, die wilde zo snel mogelijk met mij de zaal uit, naar haar kamer. Dat lag niet aan de medebewoners, maar dat effect heb ik nu eenmaal op bejaarde vrouwen. De mevrouw met de microfoon vond het nodig om mij nog even “jochie” te noemen. “Mijn kleinzoon,” riep mijn oma.

Ik vond dit bejaardenhuis niet slecht. Mijn verwachtingen waren niet goed. Maar het personeel was vriendelijk, het zag er netjes uit en oma had een mooie kamer. Met flatscreen televisie, dat hebben wij zelf nog niet eens. Maar het meest was ik eigenlijk verrast doordat ik haar in vrolijke gemoedstoestand aantrof. Langzaam verandert mijn kijk op bejaardenhuizen. Gelukkig maar. Waarschijnlijk sta ik zelf later te popelen.

A Christmas Carol

Mijn gevoel bedriegt me zelden dus kreeg ik vandaag een certificaat in de bus met het daarbij behaalde cijfer 8. Normaal komt de uitslag op zaterdag, nu heb ik dus niet in spanning gezeten. Al zou ik dat waarschijnlijk toch niet gezeten hebben, hooguit op het moment dat ik de postbode zie aankomen om te spotten of hij een grote of een kleine envelop komt brengen. Ik ga er tenminste vanuit dat als je gezakt bent, en er dus geen certificaat meegestuurd hoeft te worden, de uitslagbrief in een kleine envelop past.

Het zijn cijfers die ik nog nooit gehaald heb. Tenminste niet op examens en niet in deze mate. Mavo Engels en SPD bedrijfseconomie, dat waren mijn enige achten. Voor de rest waren het vijven, zessen en zevens. Niet dat er wat mis is met zessen, maar dit is natuurlijk best iets om jezelf een schouderklopje voor te geven. Ik moet er nog vier, als het allemaal goed gaat ben ik volgend jaar om deze tijd klaar. Nou ja, klaar…klaar ben je nooit natuurlijk. Er valt nog zoveel te ontdekken.

Ergens is het jammer dat ik toen ik negentien was er de brui aangaf. Gedemotiveerd en niet in staat het leven te lijf te gaan. Ik zakte voor de MEAO wegens een hevige hormonale kwestie en had geen zin meer. Ik ging werken in een supermarkt als manager of the cooling department totdat ik na ruim een jaar uit dit feestelijke baantje getrokken werd door een ex-werkgever van mijn vader. Ik wilde eigenlijk niet, maar ik voelde dat als ik die kans niet zou pakken, ik daar spijt van ging krijgen. Het werden vijf harde jaren die ik niet leuk vond, maar waar ik nu met een glimlach aan terugdenk. De ex-werkgever van mijn vader, toen ongeveer zestig, is nu tachtig en werkt nog steeds. Hij liep toen gemiddeld twee jaar achter met zijn belastingaangiften, en hij schijnt die achterstand tot de dag van vandaag gehandhaafd te hebben. A Christmas Carol is een prachtig verhaal.

Het troebele waken.

Heeft u wel eens een lucide droom gehad? Zo’n droom waarin je je bewust bent van het feit dat je droomt? Dat klinkt natuurlijk geweldig, want je kunt allerlei dingen ondernemen waarvoor je normaal te lui bent, maar dat is het niet. Tenminste, bij mij niet. Want ik kan de lucide droom niet sturen. Dus net op het moment dat ik dingen wil gaan doen die het daglicht niet verdragen, word ik wakker.

Maar vandaag had ik het omgekeerde. Het troebele waken. Ik las een logje over hardlopen en iets met zenuwen in een been die het niet goed deden. Ik dacht: “oh, dat heb ik ook.” Totdat ik er beter over nadacht en dacht: “hee, dat heb ik helemaal niet!” En ik wist waar het vandaan kwam. Ik droom vaak dat als ik ren, dat de kracht uit mijn benen wegvloeit en ik amper meer vooruit kom. Ik droom dat kennelijk zo vaak dat ik me er al bij neergelegd had. Terwijl toen ik 17 was, ik de 100 meter in 12,9 seconden liep.

Wat ik dus zeggen wil: wees waakzaam. Sommige dromen proberen je een loer te draaien. Zeker repeterende dromen hebben daar een handje van. Ik vraag mij ineens af of er soms nog meer dingen zijn waarvan ik onterecht denk dat ik ze niet kan. Vliegen, bijvoorbeeld? Vannacht droomde ik dat ik op het examen voor mijn volgende vak zat, maar dat ik mijn paspoort was vergeten. Zodat het examen ongeldig werd en ik weer een jaar moest wachten voor de herkansing. Dat was niet fijn wakker worden. Het duurt dan heel even voor je je realiseert dat het niet echt was. En dat is wél opgelucht wakker worden.

Gedachtenruil

Nee, vanavond schiet mij niks onzinnigs te binnen. Kan ook haast niet want ik ga morgen weer examen doen en dus is mijn hoofd vol met zinnige dingen. Maar daar heeft u dan weer niks aan. Ik vind het leven wel eens lastig te begrijpen hoor. De enige manier waarop ik het zou snappen is als er daar waar leven en dood in elkaar overgaan een machtige God is die mij begrijpt maar ik hem niet. Want ik denk wel eens na over de hemel. Mij lijkt dat zinnig omdat als je er nooit over hebt nagedacht, en je zit er ineens onverhoopt toch, en er komt zo’n Ursul de Geer aan die je wat vragen stelt en dat je dan ineens die persoon blijkt te zijn die altijd het mikpunt van spot was omdat hij geen idee had waar het vakantieland waarin hij was, zich op de wereldkaart bevond. “Ehm, hier denk ik,” al wijzend op de kaart en er minstens twee continenten naastzittend.

Ja, daar denk ik soms over na. Want wat doet een mens eigenlijk in de hemel? Eeuwig leven, vrij zijn van pijn en verdriet, en beloningen ontvangen? Ik vind dat sommige mensen zo snel genoegen nemen met een beschrijving van de eeuwigheid in één zinnetje. Meestal na een paar weken vakantie heb ik het wel weer gehad met niks doen. Dus daar denk ik wel eens over na. Aan de andere kant, als er een hemel is zullen die dingen ongetwijfeld prima geregeld zijn. Maar voor een simpele ziel toch wat lastig te begrijpen.

Nou ja, staat er ineens toch weer een gedachte op het scherm die laatst nog in mijn hoofd zat. Ik kan er ook niks aan doen hoor, dat ik van die rare gedachten heb. Ja, schrijf ze dan niet op, hoor ik u denken. Maar omdat ik u hoorde denken dacht ik: ik geef er eentje terug.

Gewetensengel

Gisteren besloot ik mijn gezin over te halen tot een dagje Julianatoren. Voor het overhalen van de twee jongsten was niet veel overredingskracht nodig. Voor de één na oudste wel, maar uiteindelijk stemde die ook in na eerst de nodige bezwaren te hebben aangevoerd. Maar die verklaarde ik niet-ontvankelijk. Dus dan is beroep niet meer mogelijk.

Wat doet een man op de dag van de wedstrijd van het jaar bij de Julianatoren? Ja, dat is een hele goede vraag. Waarom had ik niet, zoals elke zichzelf voor man uitgevende man, een internetstreamer opgezocht om de wedstrijd live te bekijken? Waarom ging ik niet op de uitnodiging van mijn zwager in, om bij hem te gaan kijken? Tja, waarom gedroeg ik mij niet als een man? Ik had het best graag willen zien. Maar het heeft dezelfde reden als die gelegen is in het feit dat ik dit jaar nog geen enkele Formule 1 race heb gezien. Het is het mijn gewetensengeltje dat mij influistert dat ik doordeweeks mijn echtelijke- en vaderplichten verzaak. Strikt genomen is het niet eens zo, maar mijn gewetenengel is nogal fanatiek in zijn werk. Hij laat me nooit met rust.

“Je kunt de uitslagen toch ook in de krant lezen? En kijk nu eens naar die blije gezichtjes van je kinderen, je zou toch niet willen dat ze de hele middag niet mogen praten omdat jij zo nodig voetbal moet kijken?” En dan die andere met die drietand op mijn andere schouder: “Ach, laat die kinderen, je verwent ze veel te veel. Gun je zelf ook eens een verzetje, en ik kan zorgen dat je vrouw de catering tijdens de wedstrijd voor haar rekening neemt hoor!”

Die met die drietand mep ik vrijwel altijd van mijn schouder af. Zo ben ik geprogrammeerd. Terwijl een echte vent die andere van z’n schouder af zou rossen. Zou ik de engel eraf meppen, klimt die later als ik lig te zondigen weer op mijn schouder om de wedstrijd te vergallen. “Zo, heb je nu je zin,” zou die dan zeggen. Ach ja, zo gaat het. Daar doe je helemaal niks aan.

Heel erg is het trouwens niet. Tammar heeft het nu steeds over de achtbaan, dat die heeeel hard ging en dat ze zich goed moest vasthouden. En dat het spookhuis niet zo leuk was, want daar stonk het. En Hans heeft zichzelf overwonnen in de achtbaan. Uiteindelijk vond-ie het geweldig terwijl hij vorig jaar nog niet durfde. En Linda was blij. En als Linda blij is, is iedereen blij.

De ster zonder allures.

Ik zat naar de lucht te kijken en zoals altijd zag ik de Grote beer. De Grote beer wordt ook wel de steelpan genoemd, maar de steelpan is slechts het uiteinde van de beer. Het einde van de steelpan is het einde van de staart. De Grieken hebben dit verzonnen, vandaar dat niemand de Grieken tegenwoordig nog serieus neemt. Vlak naast de tweede ster van de steelpan staat nog een ster. Je moet lang kijken voor je hem ziet. Hij verschuilt zich in het licht van de Grote beer, maar hij staat er ook elke avond. Ik vind dat sympathiek van die ster. Hij is wel een ster, maar heeft bepaald geen sterallures. Blijft netjes op de achtergrond maar is altijd paraat.

Toch vraag ik me af wanneer hij er een keer genoeg van heeft. Dat-ie bij zichzelf denkt: “en nu is het genoeg geweest! Ik wil ook wel eens op de voorgrond! En dat-ie uit het licht van zijn beroemde achterneef treedt en pontificaal in het midden van de steelpan gaat staan. En dat-ie de hele vorm van de steelpan verprutst. Het is een kwestie van tijd, lijkt mij. Misschien breng ik hem wel op een idee. Een ster die in het licht van een andere staat kan tenslotte nooit een grote ster worden.

Veilig

Ik had vroeger een slaapkamer, die was heel veilig. Het was misschien wel de meest veilige slaapkamer ter wereld. Niet dat alle kasten verankerd in de muur zaten, of dat hangende planken op meerdere plekken gestut werden, maar het was gewoon een fijne slaapkamer. Niet eens een sleutel in de deur, maar wel schone lakens, vloerbedekking, gordijnen en een lampje boven m’n bed. Misschien had u zelf ook wel zo’n slaapkamer. Er stond een radio, een cassetterecorder, een pick-up en een wekker. En van alle apparaten snapte ik hoe ze werkten. Aan de muur hing Elvis om over me te waken. Er stond ook nog een ton. Daar had wasmiddel in gezeten, maar nu zaten er autootjes in. Onderin lagen nog korreltjes waspoeder. Op de ton zat een rond deksel, dat gebruikte ik als stuur. Ik was een jaar of tien en ik bouwde mijn bed ’s avonds om tot formule 1 bolide. Dan zette ik het kussen rechtop, ging liggend zitten, trok de lakens over mij heen en racete over het circuit. Zandvoort, want verder kende ik er geen. Dat zat er al vroeg in. Als ik nu een bekend formule 1 piloot was geworden, was dit een schitterend verhaal geweest. Als je eindigt op kantoor is het een beetje zielig.

Herinnering

Vandaag was het alweer 26 jaar geleden dat mijn vader overleed. Ik vind het niet eens zo gek lang klinken, 26 jaar. Vergeleken met de 41 die ik ben, klinkt het reuzevriendelijk. De man heeft wel zijn sporen nagelaten hoor. Ik herken bijna dagelijks iets van hem, vaak in mezelf, soms in Hans, soms in mijn broer of zus. Ik vind het een vreemd idee dat ik nu mijn vader ben en dat Hans eigenlijk mij is. Het is natuurlijk niet zo, maar toch weer wel. Als ik fiets met Hans naast me, dan weet ik dat de gelijkenis met mijn vader en mij, 35 jaar terug, angstwekkend groot moet zijn. Ik voel dat bepaalde gelaatsuitdrukkingen van mij precies dezelfde zijn. Volgens mijn oma is mijn stem precies hetzelfde. Vroeger zocht ik de gelijkenis op, nu doe ik er niks meer voor en gaat het vanzelf. Ik veegde laatst wat stof van zijn foto en ik vond zijn gezicht wat anders dan anders. Misschien omdat hij daar jonger was dan ik nu, of omdat ik de foto al een tijd niet meer aandachtig bekeken had. Het woord ‘vader’ brengt bij mij ook onmiddellijk een plaatje boven van een knappe man met zwart haar, met mooie handen en dunne benen, een man die in gezelschap nooit uitbundig was en die dan ingehouden lachte. Hij was geen groot prater, maar desondanks toch aanwezig. Ik denk altijd dat dat laatste kenmerkend is voor Leeuwen.

Het is vreemd, maar als ik aan hem denk, dan leeft hij gewoon ergens. Ik weet niet waar, maar het is niet zo dat hij nergens meer is. Ik vind het wel mooi, dat ik hem niet echt kwijt ben al moet ik hem uit mijn herinnering oproepen.