Vorige week werd ik gevraagd om afgelopen zondag in te vallen in team 4 van de badmintonclub. Ik was de halve week ziek geweest, zaterdagavond leefde ik nog op asperine, ik was al blij als ik zou kunnen blijven staan.
Invallen valt al niet mee vooral niet als je niet op je medespelers bent ingesteld.
Maar wat gebeurde er in de mixdubbel? Mack en Macksdubbel joegen elkaar op en stegen boven zichzelf uit. Bij iedere service keken wij elkaar aan met een vragende, maar opzwepende blik. Alle andere teams waren inmiddels uitgespeeld en keken naar deze laatste partij. Vermoeidheid voelde ik niet, wel was de kracht uit mijn benen. De backhands werden geslagen als werden onze polsen door een katapult geholpen. De forehands vielen minder dan 5 centimeter van de achterlijn, de drops waren scherper dan scherp. De tegenstanders waren taai en beter op elkaar ingespeeld maar werden steeds onzekerder. Dan leidden wij, dan leidden zij. Een luid gejuich steeg op toen ik sneller dan snel bij het net was om de laatste shuttle tussen de tegenstanders te smashen.
Macksdubbel en ik omhelsden elkaar vanwege de zwaarbevochten overwinning. De overwinning zat erin en kwam eruit.
Ik werd als een held toegejuicht door mijn clubgenoten. Mack, de zieke invaller, de heldenstatus voorbij.
Als je overigens een plaatje zoekt van een nachtkastje op Google komt Elvis Presley (onthou die naam, dat kon wel eens een grote worden) tevoorschijn.