Op haar slaapkamer heeft Tammar een collage hangen van foto's van mij als kind. Ik als baby, ik als kleuter, en zelfs eentje waar mijn vader bij op staat. Eerst was het Hans zijn kamer, maar later verhuisde die een deurtje verder, maar de collage is blijven hangen. Als ik Tammar naar bed breng neem ik haar op mijn arm en loop vaak langs de foto's. "Weltrusten alle papa's," zeg ik dan. Ze bekijkt alles wat ik aanwijs met veel interesse en geeft ook vaak antwoord op mijn vragen. Gisteren wees ik op een babyfoto van mezelf en vroeg: "Wie is dat?" "Baby," antwoordde ze. Ik wees op een foto van mezelf als kleuter. "En wie is dat?" "Hanjsje, " zei ze met haar liefste stemmetje. "Ik wees naar mijn vader en vroeg: "Wie is dat?" "Papah!" zei Tammar trots.
Ik weet niet wat ze echt denkt, maar ik vond het wel mooi. Ik lijk op mijn vader en Hans lijkt op mij. Het voelt wel goed. Laatst reden Hans en ik door de nieuwbouwwijk die gebouwd is op de plek waar de ijzergieterij waar mijn vader vroeger werkte, stond, en die tevens de naam van de fabriek gekregen heeft. Toen we door mijn vaders kantoor fietsten, tenminste door de plek waarvan ik schatte dat het daar ongeveer geweest moest zijn, vertelde ik Hans dat Opa Hans daar vroeger gewerkt had. "Oh, zat ik toen nog in mama's buik?" vroeg hij. Ik legde hem uit dat het al heel lang geleden was en dat het nog was voordat hij in de buik zat. Toen we er vandaag weer langs kwamen zei hij: "Papa, jij had toch gezegd dat Opa Hans hier heeft gewerkt?" "Ja, dat klopt Hans, dat was hier." " Toen die dood ging, kreeg hij toen geen adem meer?" "Nee, als je dood bent dan adem je niet meer." "Oh." "Papa?" " Ja?" " Wel zielig voor oma hè, dat ze nu alleen is?"