Smalltown Boy.

We hebben hard gewerkt in onze vrije dagen, maar nu is het bijna klaar. Er is laminaat op zolder gelegd, er is een muur gesausd, (hoe werkt ‘t kofschip ook alweer) kinderen zijn van kamer gewisseld, ik heb twee kasten in elkaar gezet, twee bedden in elkaar gezet, een probleem met de wifi opgelost, het plafond in de badkamer schimmelvrij gemaakt, vier keer naar de stort gereden, en vandaag nog even 7 kilometer met de hond afgelegd. Kortom ik ben in topvorm.

Nu moet ik nog opruimen, maar daar trek ik mijn oude kleren niet meer voor aan. Dat doe ik morgen in alle rust. Het ging niet zonder slag of stoot, het ging met een vloek en een zucht, maar nu loop ik meerdere keren per dag naar zolder. Omdat de bergruimte nu een nette plek is met logeerbed in plaats van een milieustraat, maar vooral om die zolderkamer, waar Tammar nu slaapt. Het is echt een mooie kamer geworden, niet in de laatste plaats omdat het vroeger mijn kamer was. Niet letterlijk, omdat mijn kamer een straat verderop was en gespiegeld, maar verder hetzelfde.

Ik zei tegen Tammar hoe ik mijn kamer vroeger had ingericht, elke maand anders, en dat ik mijn bed had opgesloten achter twee kasten, van die kasten die bij het huis hoorden en die vroeger iedereen had. Van die vierkante blokken met een grote deur met een schuifje om hem op slot te doen. Aan de achterkant had ik posters hangen, zwart-wit, eentje van Marylin Monroe, en een andere van een soldaat die net dodelijk werd getroffen met het woord “why” erbij. Niet dat ik me daar echt druk over maakte, maar op die leeftijd moest je je ergens druk over maken.

Ik had een “playmate van de maand” poster, miss juni uit 1985, ze poseerde tegen een fiets en in die tijd hadden ze nog geen tondeuse. Ik had een stuk achterwand weggezaagd, (huurhuis) zodat ik een soort schuilkelder kreeg waarin ik me terug kon trekken. Het had een nauwe ingang waar ik nu niet meer in zou komen. Aan de andere kant van de kamer deed ik hetzelfde, ik had die kamer volledig uitgewoond. Ik had er een eettafel staan, een witte ronde met rode poten en rode stoelen, die kwam uit de keuken van mijn vorige ouderlijk huis. Als je de tafel op z’n zijkant kantelde had je een schild voor het sokkengevecht dat ik met een vriendje hield, hij aan de andere kant van de kamer en dan bekogelden we elkaar met een bol sokken. Het bureau van mijn vader dat in ons oude huis achter in de huiskamer stond hadden we zwart geverfd en stond nu bij het raam. Een metalen bolvormige lamp met een gebogen stang, ook al uit onze huiskamer van vroeger, hing aan de muur en diende als bureaulamp. Hij kon in een halve cirkel bewegen en de ijzeren bol kon goed heet worden. Ik had een petroleumkachel en hoe ik dat heb overleefd snap ik nog steeds niet. Ik kon het in elk geval bloedheet krijgen op mijn kamer, zelfs in de winters van 85 en 86. Ik had een Philips radio-cassetterecorder, gekocht bij de kijkshop in Arnhem voor 295 gulden, maar later kreeg ik een tweedehands stereoset. Als ik hem hard zette klonken de Dual speakers niet best, ze waren slechts zes watt, en ik zei tegen mijn vader dat het geluid kraste. Maar hij dacht dat de band kraste. Het was Bronski Beat met Smalltown Boy.

Een smalltown boy ben ik altijd gebleven, of beter, kon ik altijd blijven omdat ik eenmaal niet naar de grote stad gedwongen werd zoals Jimmy Somerville. Ik ben niet eens een man van een kleine stad, ik ben een dorpeling. Wel geboren in een grote stad, dus ik hang er altijd maar wat bij.

Buurjongen

In 1983, toen ik in Vaassen kwam wonen kreeg ik een buurjongen, die op hetzelfde moment hier kwam wonen. Wij hadden de zolderkamers en onze dakkapellen grensden aan elkaar. Vrijwel elke avond voor het slapen gaan stonden wij met het raam open met elkaar te praten. We maakten ook een kabelbaan om goederen naar elkaar te vervoeren, en een microfoon zodat we elkaar ook met het raam dicht konden horen, en we klommen uit het raam naar elkaars kamer. Altijd goed gegaan, op de keer na dat een overbuurvrouw bij mijn moeder kwam melden dat wij over het dak liepen.

Nou ja, we deelden dus ongeveer alles en het duurde tot 1988, toen gingen de buren verhuizen. Daarna verwaterde het contact snel. Pas in 2014 hoorde ik weer iets van hem, via Linked-in. En daarna niet meer. Totdat ik deze week weer op Linked-in een droge mededeling zag: “Hee buurman, nog iets gebeurd de afgelopen tien jaar?” Daar moest ik wel om lachen en we praatten even bij, en hij deed zelfs het voorstel om als hij weer eens in de buurt was, even langs te komen. We gaan het zien.

Het was in elk geval destijds een steun en toeverlaat om overal over te kunnen praten, jarenlang, hangend uit dat dakraam. Ons oude huis staat te koop, daarom kon ik even een foto stelen van de plek waar het allemaal gebeurde.

Mack maakt saai spannend.

Ik maakte het weer mee. Zo’n situatie die dreigde ongemakkelijk te worden maar die net op tijd gered werd. Bij het programma “politie op je hielen” zouden ze zeggen: “dit had ook heel anders kunnen aflopen!” “Ja, maar dat deed het niet,” roepen wij dan geërgerd terug naar de tv, maar ik maak me vaak aan precies hetzelfde schuldig. Maar ik ben geen politie, ik heb een kantoorbaan, dus voor mij is het veel spannender. Ook dat ik begin met “dreigde ongemakkelijk te worden” in plaats van “werd levensgevaarlijk” duidt op een hele saaie gebeurtenis.

Nou ja, ik liep dus in het bos en nam een pad dat ik niet kende. Het was kwart over vier, nog licht, maar niet meer voor lang. Het pad zou volgens mij terug moeten lopen naar de weg die ik moest hebben, en ik gebruikte het kompas op mijn telefoon om te zien of ik in de goede richting liep. Dat liep ik, en net iets eerder dan ik wilde kwam er een zijpad naar de weg waarvan ik vermoedde dat die daar lag. Ik liep nog door, omdat ik liever door het bos liep dan over de weg, en mocht het fout gaan, dan hoefde ik alleen maar een stuk terug.

Maar het ging fout en ik was al te ver. Zou ik teruggaan dan zou het donker zijn als ik nog in het bos liep, en ik weet dat dat geen pretje is. Dan heb je helemaal geen idee meer waar je bent en kun je gaan dwalen. Ik starte internet op, maar er was daar geen internet. Gelukkig deed Google maps het wel, en snap ik sinds kort een beetje hoe dat werkt. Maar dan nog, een veel te klein scherm, een trekkende hond, en alleen maar een groene vlakte op je beeld maakte het niet eenvoudig. Als ik ver genoeg uitzoomde zag ik dat ik niet zo ver van de weg was, echter was het een andere weg dan de weg die ik zocht. In het bos is het lastig oriënteren, dat bleek wel want ik wist bijna zeker dat aan mijn rechterhand de weg moest zijn, maar óf de weg, óf ik had ergens een bocht gemaakt waardoor dat niet meer klopte.

De weg die ik zocht was er een die niet toegankelijk was voor auto’s dus ik hoorde ook niks. De weg waar ik nu naartoe ging was dat wel, maar ik hoorde nog niks. Goed, om tien voor vijf had ik de weg gevonden, maar omdat ik gedesoriënteerd was, keek ik op mijn telefoon of ik links of rechts moest. Rechts, zoals ik ook dacht, maar je weet het hier nooit.

Het ergste wat had kunnen gebeuren is dat ik in het donker aan het dwalen was geslagen. Niet leuk, maar niet gevaarlijk. Hoewel, als de wolven me op het spoor waren gekomen? Of als er een tak op mijn hoofd waaide? Wat als ik onderkoeld raakte? Nee, dit had ook heel anders kunnen aflopen!

Code geel

In januari 1990 liet ik ‘s avonds de hond uit. Een kruising Rottweiler x Duitse herder, het was onze eerste hond. Het stormde behoorlijk, windkracht 12, en ik zag de bomen vervaarlijk ver buigen. De hond was een flinke dus die waaide niet weg. De volgende dag bleek de plaatselijke tennishal wel te zijn weggewaaid en het dak bij de fietsenmaker was ook door de wind verwoest. Dat was de plaatselijke schade, want landelijk waren er uit mijn hoofd 19 doden gevallen. Daarna is het KNMI begonnen met de codes voor gevaarlijke weersomstandigheden.

Ik hoor net dat er voor morgen in het oosten, dat begint hier in Vaassen, code geel is afgegeven vanwege de kou. Het wordt geloof ik min twee, maar de gevoelstemperatuur kan min 15 zijn. Ik vind altijd wat van dit soort waarschuwingen omdat ik denk dat er iets goed mis is met de bevolking. Zij moet wel ernstig ziek zijn, want min twee kan ze kennelijk niet meer aan.

Nu maakt een oud klasgenoot, tegenwoordig aardrijkskundedocent, mij net duidelijk dat die waarschuwingen bedoeld zijn voor leerlingen. Die schijnen niet door te hebben dat -2 met koude wind koud aan kan voelen, en komen gewoon in t-shirt naar school. En ik moet toegeven dat ik mijn dochter ook wel eens met een bloot randje naar school zie gaan, en mijn zoon loopt ook altijd in korte broek. Zijn zij nu bikkels of zijn ze stom? Ik weet het niet, ik ben geneigd te zeggen dat ze het allebei zijn. Ik weet wel dat ik een hekel heb aan kou, dus ik heb mijn handschoenen, sjaal en muts vast klaargelegd. Ik heb daar geen weerswaarschuwing voor nodig.

Anticiperen.

Ik ben anders dan vroeger. Vroeger was ik rustig, ingehouden, beheerst, keurig en gefrustreerd. Want dat krijg je ervan. Tegenwoordig scheld ik, vloek ik, uit ik me en ben nog steeds gefrustreerd. Maar ik voel me beter. Het uit zich vooral in de auto. Was ik vroeger de heer in het verkeer, anticipeerde ik en zorgde dat als iemand een fout maakte, ik die al corrigeerde voor er gevaar kon ontstaan, nu erger ik me vooral en zorg zeker dat er een gevaarlijke situatie ontstaat om de schuldige daarop te wijzen.

Vandaag neem ik nietsvermoedend de afslag Vaassen, geef keurig richting aan en wil op het gas. Voor mij, een lul in een Peugeot, gaat ook van de snelweg af, maar zonder richting aan te geven en ik kan niet op het gas. Voor de bocht gaat hij vol op zijn rem, want je zal eruit vliegen, en aan het eind van de afslag gaat hij rechtdoor. Tenminste, volgens zijn richtingaanwijzer die niet aan staat, want je kunt niet rechtdoor. Dus gaat hij rechts, net als ik. Op de eerstvolgende rotonde geeft hij geen richting aan, op de tweede niet, nergens. Dit is niet zomaar een lul in een Peugeot, dit is een raszuivere Arabische volbloedlul. En omdat ik zelf ook een Peugeot rij, weet ik dat die dingen richtingaanwijzers hebben.

Hij blijft geen richting aangeven en hij woont klaarblijkelijk bij mij in de buurt, want we naderen op stand. Hij rijdt op stand voorbij en ik rij achter hem aan, terwijl ik daar helemaal niet moet zijn. Uiteindelijk krijg ik het door, deze man (of vrouw voor de politieke correctheid, maar het was geen vrouw want vrouwen doen dit niet) woont hier niet, maar bivakkeert op de plaatselijke camping “De Bosrand”(debiel). En inderdaad, daar remt hij af en wil zonder richting aan te geven afslaan. Maar daar anticipeerde ik op de situatie. Want toen hij afsloeg, zat ik al bijna naast hem om hem zogenaamd in te halen. Daar kwam mijn toeter vol tot zijn recht. Ik hoop dat hij zich de tering schrok. Eikel.

Some guys

Door de koning gedwongen liep ik ergens anders in het bos, nog wel dwars door zijn kroondomein maar niet meer op de zijpaden. Prima, op de doorgaande weg kan de hond los, op de zijpaadjes mag dat sowieso niet.

Na een tijdje zag ik een stel, niet meer piepjong maar wel jonger dan ik. Zij was jaloersmakend mooi, met lang bruin haar, ze droeg een bruine rok en een lange jas. Hij had een wijde trainingsbroek en een strakke trui aan. Hij kon het hebben. Aan hoe ze elkaar aanraakten kon ik zien dat ze nog niet heel lang een stel waren. Ik probeerde Lori bij me te houden, wat best lang lukte, maar uiteindelijk liep ze toch naar ze toe, en luisterde ze niet meer naar mij. Ze gedroeg zich gelukkig wel en sprong niet als een dolle tegen ze op. Van dichtbij was de vrouw net ietsjes minder oogverblindend dan van veraf, maar nog steeds erg knap. Hij was een beetje een patserig typje, maar dat kan ook jaloezie mijnerzijds geweest zijn. Ze maakten een paar opmerkingen over Lori, dat ze zo’n mooie tekening heeft (dat horen we echt dagelijks) en dat ze zo enthousiast was. Ik zei kort wat terug en liep terug naar de parkeerplaats waar ik onze oude Modus zocht. Er stond ook een gloednieuwe Porsche. Het duurde heel even eer ik door had dat die vast van hun was. En ja hoor, ze liepen naar de zwarte Taycan en ze stapten in.

Ik hoorde mezelf denken, als je knap bent is je kans om rijk te worden ook groter. Ik zat te denken of hij niet een ex voetballer was die ik niet herkend had. Ik startte de oude Modus en reed achter de Porsche de parkeerplaats af. Porsche centrum Amsterdam stond er achterop. Ze reden ook linksaf, naar het westen, ik rechtsaf naar het oosten. Some guys have all the luck zeggen ze weleens, me gelukkig prijzend dat ik in het oosten woon.

Het voormalig paradijs.

Veertig jaar geleden had ik nog nooit een wild zwijn gezien. Dat was ook niet eenvoudig want destijds mocht je niet zomaar de bossen in, je had er een wandelkaart voor nodig. Wij, nieuwelingen kochten natuurlijk wel zo’n kaart, alleen had mijn vader die onder zijn hoede. Er waren ook opengestelde bossen waar je geen wandelkaart voor nodig had, maar daar zaten geen wilde zwijnen.

Wat ik toen vaak deed was na school naar de bossen fietsen om toch te proberen een glimp van een zwijn op te vangen. Er was een opengesteld pad dat langs de hekken liep, waar je zicht had op het paradijs achter de hekken, en waar roedels herten en rotten zwijnen huisden. Het was destijds nog niet druk in het bos – mountainbikes bestonden nog niet- en licht gespannen fietste ik het pad in dat na een kilometer tegen een hek dood liep, net over een heuvel. Na een tijdje te hebben gewacht bij het hek, stak daar ineens een groot zwijn een pad over zonder aandacht aan mij te besteden. Ik hield mijn adem in. Het was het tweede zwijn dat ik zag, en het eerste dat ik in mijn eentje zag.

Afgelopen zaterdag ging ik het pad weer in. Het hek langs het pad is nu lager en vijftig meter bosinwaarts geplaatst, en je kunt er nu via een poortje door, het voormalige paradijs in. Veel eerder dan waar ik vroeger tegen het hoge hek aan liep, liep ik nu tegen een laag hek aan, en maakte het pad een bocht naar links. Op de plek waar ik vroeger stond kon ik niet meer komen, ik kon de heuvel niet eens meer zien.

De nieuwe loop van het pad volgend, ging ik door een poortje het voormalige paradijs binnen waar je tegenwoordig zonder wandelkaart in mag. Ik liep met een wijde boog om de plek waar ik veertig jaar terug de ontmoeting met het zwijn had, maar de magie van het paradijs was er niet meer, omdat ik hier zo vaak loop. Ik dacht ongeveer te weten waar het heuveltje was, en dacht dat ik me misschien gewoon eens niet aan de regels moest houden en over het lage hek moest klimmen om zo het oude pad verder te kunnen volgen naar de plek waar het vroeger dood liep.

Het paradijs was zoveel mooier vroeger, toen ik er nog niet in was geweest en alleen van buiten naar binnen kon kijken. Uiteindelijk bleek het van binnen niet veel anders dan van buiten. Maar nu zijn er binnen het paradijs weer plekken waar je niet mag komen en die nu op hun beurt een nieuw paradijs vormen. Zoals de plek waar ik vroeger stond, die er destijds net buiten viel maar er nu weer binnen ligt. Zo blijft het paradijs praktisch onbereikbaar, je kunt er kortstondig vertoeven om de magie te voelen, daarna moet je op zoek naar een nieuw.

Teringzooi

Een van mijn grootste ergernissen, afgezien van de mensheid in het algemeen, zijn mensen die hun zooi in de natuur flikkeren. Ik zag een keer tot twee keer toe hetzelfde tuig hun McDonald’s troep uit de auto gooien, een keer naast mij bij het stoplicht, dan ben je al verbouwereerd, en even daarna op de snelweg toen ik achter ze reed. In plaats van dat ik mijn auto in hun achterkant boorde, want zo witheet was ik wel, belde ik de politie. Dat is een zodanig lang proces (met de politie van welke plaats wilt u doorverbonden worden? Ik heb u niet goed verstaan. Spreek de naam van de plaats in waarvan u met de politie wilt spreken) dat het al kansloos wordt. Je probeert het nummerbord te onthouden en tegen de tijd dat je ze spreekt krijg je al door dat het weinig prioriteit heeft en dat ze je melding eigenlijk belachelijk vinden.

Op de parkeerplaats in het bos waar ik de hond uitlaat, hebben ze ook schijt aan de natuur. Letterlijk volgens mij want er liggen papieren zakdoekjes. Van de week stond er een leeggezopen fles sterke drank, en een paar dagen later vier lege bierblikjes. Lekker in het donker op de parkeerplaats zuipen en je zooi onbekommerd achterlaten, want niemand ziet je.

Vandaag dacht ik eraan om een vuilniszak mee te nemen en even wat zooi op te ruimen. Zoals gezegd, een fles, vier blikjes, papier dat ik al weken zag liggen bleek een luier te zijn en een mondkapje wat ik al dagen zag liggen bleek een inlegkruisje. Omdat ik alleen die fles en die blikjes in mijn hoofd had, had ik er niet aan gedacht om handschoenen mee te nemen, en een mondkapje gaat nog wel, maar een inlegkruisje tussen je vingertoppen is toch smerig. Een luier is ook geen pretje.

Uiteindelijk belandt die zooi in mijn container, die naar ik heb begrepen per lediging aan mij in rekening wordt gebracht, dus die aso’s met hun teringzooi kosten mij nog geld ook. Geen wonder dat niemand anders het opruimt. Eigenlijk zou je geld toe moeten krijgen als je afval uit het bos opruimt, maar op z’n minst zou het storten van afval gratis moeten zijn. Of zet even een afvalbak op die parkeerplaats zodat we de troep van dat onverbeterlijke tuig sneller kunnen opruimen.

Ontdekkingsreiziger

Er is een weg, een gehucht verder, die heet de Valkeniersweg. Een prachtige naam voor een weg, maar deze weg is doodlopend volgens het bord. Ik was er in de veertig jaar die ik hier woon nog nooit in geweest en vandaag moest daar maar eens verandering in komen.

Ik wist dat de weg dood moest lopen tegen de hekken van de kroondomeinen, want in het kroondomein zelf loop ik wel geregeld op de Valkeniersweg. Niet dat dat aangegeven staat, want het is een bospad, maar op de kaart had ik gezien dat dat de Valkeniersweg heette. Vanuit de kroondomeinen kun je niet tot aan dat hek komen omdat zeker een kilometer bos niet toegankelijk is voor mensen.

Steeds als ik met de auto die Valkeniersweg passeerde vroeg ik mij af waar die precies dood zou lopen en vandaag besloot ik dat er maar eens een einde moest komen aan veertig jaar onzekerheid. Ik had net de hond uitgelaten en reed rechtsaf, de doodlopende weg in, een lichte opwinding voelend omdat ik, ontdekkingsreiziger, weer op het punt stond iets nieuws te ontdekken.

De eerste driehonderd meter over de zandweg waren prachtig, totaal onbekend gebied voor mij. Na driehonderdenéén meter kwam mij deze weg ineens erg bekend voor. Hier loop ik bijna dagelijks met de hond. Op de Valkeniersweg, zonder dat ik dat wist. Ik draaide de auto om op de oprit van een van de huizen die ik hier kende en reed terug naar huis, een ervaring rijker, een illusie armer.