Banjeren

Als het sneeuwt en de sneeuw blijft liggen vult dat mijn hart met blijdschap. Is dat een reactie die iedereen heeft, of komt het voort uit blijde herinneringen aan sleetje rijden en sneeuwballen gooien? Ik denk dat iedereen het heeft, want zelfs honden kunnen door het dolle raken van verse sneeuw.

Ik trok mijn waterdichte outfit aan, en toog met hond naar het bos. Er lag soms wel twintig centimeter en ik moest er doorheen banjeren. Lori gooide steeds haar speeltje in de lucht en sprong dan boven op de plek waar het ding landde. Ik weet dat ze het niet koud heeft, haar vacht isoleert en beschermt tegen kou en nattigheid, en haar zintuigen zijn scherp. Toch ziet ze het wild zwijn dat voor ons oversteekt niet. Even later pikt ze wel de geur op en opgewonden springt ze om me heen. Iets verderop in het bos zie ik nog vijf zwijnen, maar ook deze heeft ze niet in de gaten. Ze is te druk met haar speeltje.

Nog wat later vluchtten twee reeën door de bomen en Lori ziet het. Ze begint aan de lijn te trekken omdat ze erachteraan wil, maar dat vindt niemand, behalve zij zelf, een goed idee. In totaal lopen we ruim twee uur door de sneeuw, op sommige plekken had nog niemand gelopen. Dat is nog beter dan een pot pindakaas aanbreken. Op de laatste twee kilometer over de besneeuwde weg laat ik haar los en gooi een paar keer met haar speeltje dat diep onder de sneeuw verdwijnt. Ze rent, zoekt met haar ogen en als dat niet helpt zet ze haar neus in waarmee ze het speeltje in dertig seconden onder de sneeuw traceert.

Sneeuw maakt me blij, of ik er nu doorheen loop, de oprit sneeuwvrij maak, of er met de auto doorheen moet. Dat laatste moest ook nog een stukje en ik speel met de grip van de banden. Thuis wacht een Duvel, Belgisch bier, en Lori krijgt een varkensoor. Als ze hem op heeft komt ze bij me liggen, haar kop op mijn schoot.

Stevig eindje bos

Ik ben tegenwoordig goed bestand tegen regen want ik heb waterdichte schoenen, een waterafstotende broek en een waterafstotende jas met capuchon. Ik zit dan ook echt op regen te wachten, en vandaag maakte ik een lange wandeling door het bos. Net iets langer dan twee uur liep ik, samen met Lori, de onvermoeibare Hollandse herder, in de kracht van haar leven, tweeëneenhalf jaar oud. Ik ben geen dertig meer, maar ik doe het nog prima. Om het compleet te maken heb ik een horloge met kompas en hoogtemeter, mocht de telefoon uitvallen als ik de weg kwijt ben op de uitgestrekte toendra’s van de Veluwe. En mocht ik vast komen te zitten in een wirwar van vleesetende planten, heb ik mijn zakmes dat me kan redden. Misschien ben ik wat overdreven uitgerust voor de Veluwe, maar ik kan het ook niet helpen dat ik hier ben geboren en niet rond de poolcirkel.

Het is alweer een paar jaar geleden dat ik een wolf zag, maar steeds hoop ik er een tegen te komen. Ik zie vaak hun uitwerpselen, maar daar blijft het dan wel bij. Lori ruikt er aandachtig aan en ik vraag me af welke informatie ze er allemaal uithaalt. Mannetje, vrouwtje, ziek, gezond, zwak, nog in de buurt of ver weg, ik heb geen idee. Feit is dat het lang duurt voor ze uitgesnuffeld is, dus ik denk dat ze veel data verwerkt.

Het was na vieren, het meeste daglicht was al wel geweest en ik moest nog een kwartier naar de auto. Opeens hoorde ik het gehuil van een wolf. Het was ongeveer een kilometer weg , het kwam van de andere kant van de heide, uit de bossen, en het herhaalde zich drie keer. Dat had ik nog nooit gehoord, een prachtig geluid, en om een of andere reden klonk het vertrouwd. Alsof het nooit anders was geweest. Lori reageerde er niet op, die was te druk met achter haar bal aan het rennen, want dat is voor haar de hoofdzaak in het leven.

Zonder hemd, zonder broek…

Ik zit zonder hond, zonder vrouw en zonder geld. En dit voelt niet goed al is het allemaal tijdelijk.

Eerst het zonder hond verhaal. De hond loopt mank, gisteren overbelast, dus ik kan nergens heen met haar. Dinsdag wordt ze opgehaald door de uitlaatservice en vrijdag pas weer teruggebracht.

De vrouw is op vakantie. Vanochtend vertrokken naar Zwitserland. Ze is met haar vader, en ik weet het al bijna een jaar. Maar ik maakte me niet druk. Waarom eigenlijk niet? Ik kook nooit, ik doe de was nooit en ik denk nooit na. Juist deze dingen zijn belangrijk deze week. Ik heb al één was aangezet, maar mijn dochter heeft hem alweer uitgezet en opnieuw gedaan, op de juiste temperatuur. Ik heb vanochtend het gras gemaaid, mijn auto gewassen en ik verveel me nu al. Het kan zijn dat ik dit onderschat heb.

Dan het geen geld gedeelte. Omdat Linda wegging is haar auto uitgeleend. Omdat dat hok zo smerig was heb ik die gisteren van binnen en van buiten schoongemaakt. Van buiten deed ik in de wasstraat en ik legde mijn portemonnee zolang op de automaat. En toen reed ik weg, zonder portemonnee.

Pas een paar uur later, toen ik friet wilde halen kwam ik erachter, en toen was het al te laat. Ik reed naar de wasstraat, maar m’n portemonnee lag er niet meer. Toen ik binnen ging informeren was er een niet zo behulpzame jongeman die iets zei van: oei, nee helaas. Rijbewijs, kentekenbewijs, pasjes, alles weg. Lekkere timing, een dag voordat Linda weg zou gaan.

Na het eten ben ik teruggereden om mijn gegevens achter te laten en te vragen of de jongeman op de camera kon kijken. Deze keer was hij meer behulpzaam en ging zoeken. Hij vroeg me hoe laat het was, en hij ging naar dat tijdstip. Een grote vrachtwagen blokkeerde het zicht, en de camera die binnen hing kon hij zo niet terugzien. Daarvoor had hij een muis nodig. Na een minuut of tien zei hij ineens: of het moet deze zijn, en pakte een portemonnee. Iemand had hem toch afgegeven, ik kon me al bijna niet anders voorstellen in het vriendelijke Vaassen, en zijn collega had dat niet doorgegeven toen hij de dienst overnam.

Alles zat er nog in, ook het bankpasje dat ik inmiddels geblokkeerd had. Ik bood de jongen twintig euro aan, maar die weigerde hij. Ik was opgelucht dat ik alles weer terughad. Alleen moet ik wachten op het nieuwe bankpasje. Tot die tijd probeer ik niet te bewegen en geen onnodige energie te verspillen. Met een beetje geluk kan ik donderdag weer eten.

Oude man

Vanochtend zag ik een oude man lopen. Hij was 87 of 88. Dat kwam ik later te weten. Hij liep voor me en ik vond er al wat van. Mijn hart ging naar hem uit, want hij liep niet al te snel, maar hij liep deze ronde nog. Een kilometer ongeveer. Ik had mijn ronde juist ingekort wegens mank lopen van de hond. Bij het passeren groette ik hem. Ik liep hem voorbij en nam nog een kleine omweg.

Door de omweg moest ik de man nog een keer voorbij en daardoor raakten we aan de praat. Hij begon met zeggen dat de motor nog draaide maar dat de versnelling kapot was. Waarop ik zei dat dat op zijn leeftijd toch geen schande was. “Jij bent nog jong en vitaal,” zei hij en dat was in zijn ogen ook zo. Ik denk daar zelf anders over, dus ik zei dat we allemaal ouder worden en dat ik ook geen 25 meer was. “De mensen om me heen worden allemaal 92, 93, dus dan zou ik nog vijf jaar hebben, Aan alles komt een einde,” verzuchtte hij.

Hij vertelde mij waar hij woonde, hoe lang, waar hij gewerkt had en waar hij vandaan kwam. Eindhoven. “Dus morgen hebben we misschien feest,” zei hij. Ik keek hem lachend aan en zei dat ik ook voor PSV ben. Ik wenste hem succes morgen en dacht dat ik deze man niet voor niks was tegengekomen. Ik heb respect voor zijn ouderdom en hij liet mij de toekomst zien waar ik op een of andere manier naartoe moet terwijl ik me tevergeefs verzet, maar ook dat hij nog steeds met voetbal bezig was. Aan zijn korte analyse merkte ik dat hij het seizoen goed gevolgd had en nog steeds plezier aan zijn club beleefde.

Ik weet niet of ik verder ben gekomen in mijn zoektocht naar de zin van het leven, maar ik voelde me in elk geval beter door deze man. Wellicht gewoon omdat hij aardig was.

Klimaatverandering

In het bos was het kurkdroog. Ik wilde Lori laten drinken maar de bron stond kurkdroog. Ook een vennetje verderop waar ik vaker kom was opgedroogd. Het was niet eens meer modderig, er zaten scheuren in de grond van de droogte. Ik ging even zitten en zag een plastic bakje. Er was een sticker op het deksel geplakt waarop stond: je mag mij openen en lezen. In het bakje zaten een notitieboekje en wat pennen. Hallo vreemde, zo begon het. Een mevrouw van 33 met drie kinderen en een naam die ik nog nooit gehoord had en die ik alweer vergeten ben. Het begon met een V. Veredita of zoiets. Ze had het plekje recent ontdekt en vond het geweldig. Er had één persoon geantwoord en ik was de tweede. Ik schreef kort dat ik hier al jaren kwam om de hond in het water te laten maar dat er nu geen water was. Ik vond het bijzonder van V. Dat doen niet veel mensen, verbinding zoeken.

Op de terugweg in de auto hoorde ik op de radio een man zeggen dat hij alleen nog maar leuke dingen wilde doen. Dat wil ik natuurlijk ook wel, in in de Gazastrook willen ze dat ook. Ik zou zoiets nooit uitspreken, want het leven is niet alleen maar leuk en wij zijn in Nederland ook nog eens zo strontverwend dat we helemaal niet meer snappen hoe het is om het minder goed te hebben.

Ik ben op Facebook bevriend met een vriendin van een kennis. Omdat ik haar altijd met bijtende humor zie reageren op de kennis. En zij mijn opmerkingen ook grappig vond. Ik weet verder niks van haar, maar ik geloof dat ze in Rotterdam woont. Ze is radeloos omdat ze bedreigd wordt door allochtonen en de politie niks doet. De kinderen van de allochtonen lopen met bivakmutsen en nepgeweren over straat. Als zij hier kritisch op is merkt ze dat ze ontvriend wordt door mensen zoals ik. Die in het vrije Friesland, Drenthe of Gelderland wonen. En die soms makkelijk praten hebben. Zo hoorde ik Joop van den Ende ook een keer links lullen vanuit zijn omheinde villa in Blaricum of Bosch en Duyn. Maar ik begreep ineens dat een kwart van Nederland op de PVV stemt, en dat er tussen die kwart ook mensen zitten die recht van spreken hebben. De PVV gaat het echter niet voor ze oplossen. Dat zullen we gezamenlijk moeten doen. Elke partij zou hier prioriteit van moeten maken, elk politiekorps zou hier moeten ingrijpen, elke burger zou hier moeten ingrijpen. Ze schreef dat als je er met de hond liep, er op je hond gespuugd werd. Is het nu zo moeilijk om dat te bestrijden? Een elleboog op een neus doet wonderen. Maar ik heb makkelijk praten, dat snap ik ook.

Freak

Een poos geleden, ik was het alweer vergeten, kwam ik op een parkeerplaats in het bos een wat vreemde man tegen. Ik kende de man, hij was onze oude verwijfde badmeester, of hij leek erop. Hij sprak iedereen aan op ongewenst gedrag en deed dat op verwijfde doch strenge toon. Eigenlijk durfde je niet tegen hem in te gaan.

Hij fietste voorbij maar toen hij me zag stapte hij af en bleef op een afstandje staan kijken. Ik denk dat hij zijn oude beroep weer wilde oppakken en mij ergens op wilde aanspreken. Maar ik deed niet zoveel fout op dat moment. Hij wachtte tot ik de hond achterin de auto had en totdat ik wegreed. Ik weet dat ik het nogal vreemd vond, maar dacht er verder niet meer over na.

Gisteren, ik loop met de hond en zie hem ergens de stoep vegen. Ik groet hem maar hij zegt niks terug. Hij stopt met vegen en kijkt me aan maar ik sla er geen acht op en loop verder. Ik ga de hoek om, een steegje in dat uitkomt op een parkeerplaats waar vaak een busje staat dat loeistrak langs de muur staat geparkeerd. De rechterbuitenspiegel heeft ongeveer nog een centimeter speling tot de muur en ik vraag mij af hoe de bestuurder dat toch elke keer weer voor elkaar krijgt. Als ik het busje voorbij ben kijk ik om naar de spiegel maar zie in het steegje de zonderlinge man weer staan. Hij staat me na te kijken, zijn bezem in zijn handen, alsof hij zeker wil weten dat ik verdwijn en geen rottigheid uithaal. Of dat de hond niet op straat poept of zo.

Het heeft best iets engs, deze man die mij in de gaten houdt. Nou ja, in een film zou het eng zijn. Maar ondanks dat hij er normaal uitziet moet hij iets mankeren denk ik. Of hij heeft informatie over mij van vroeger die ik zelf vergeten ben. Dat ik een gluiperd was die de meisjes bespiedde of zo. En dat hij me het zwembad heeft uitgezet. En dat hij me wil laten weten dat hij me niet vergeten is. Nou, ik jou ook niet, Freak.

Jaren tachtig revival

Ik liep donderdag in het hondenuitlaatgebied waar een man, vrouw en drie honden mij naderden. In het voorbijgaan zegt de man: “hee, dat is lang geleden!” Ik draai me om en ik herken hem. Een jongen uit de buurt waar ik mee omging toen ik achttien was. Hij was iets ouder en had een motor, waar ik nog wel eens mee gevallen ben omdat ik over gladde bladeren reed. Het was een lichte schuiver, maar ik had nog jarenlang de sporen op mijn dij staan. Ik heb hem in de jaren tachtig voor het laatst gezien maar hij blijkt één straat verder te wonen. Wel een lange straat, maar toch.

Gisteren kreeg ik een bericht via LinkedIn van mijn oude buurjongen. We kwamen allebei in 1983 in Vaassen wonen en hij verhuisde in 1987 weer. In die tijd maakten we veel mee, we liepen over het dak naar elkaars kamer. Hij ging naar Groningen en ik heb hem nooit meer gezien of gehoord. Nou ja, tien jaar terug, ook via LinkedIn , en vorige maand. Maar nu was hij in de buurt en is vandaag langsgeweest met zijn dochter. 37 jaar geleden zag ik hem voor het laatst, en nu zat hij bij ons in de huiskamer, wat voor hem ook herkenning was aangezien hij in net zo’n huis woonde.

Zo zie je ze nooit, zo zie je er in drie dagen twee.

Smalltown Boy.

We hebben hard gewerkt in onze vrije dagen, maar nu is het bijna klaar. Er is laminaat op zolder gelegd, er is een muur gesausd, (hoe werkt ‘t kofschip ook alweer) kinderen zijn van kamer gewisseld, ik heb twee kasten in elkaar gezet, twee bedden in elkaar gezet, een probleem met de wifi opgelost, het plafond in de badkamer schimmelvrij gemaakt, vier keer naar de stort gereden, en vandaag nog even 7 kilometer met de hond afgelegd. Kortom ik ben in topvorm.

Nu moet ik nog opruimen, maar daar trek ik mijn oude kleren niet meer voor aan. Dat doe ik morgen in alle rust. Het ging niet zonder slag of stoot, het ging met een vloek en een zucht, maar nu loop ik meerdere keren per dag naar zolder. Omdat de bergruimte nu een nette plek is met logeerbed in plaats van een milieustraat, maar vooral om die zolderkamer, waar Tammar nu slaapt. Het is echt een mooie kamer geworden, niet in de laatste plaats omdat het vroeger mijn kamer was. Niet letterlijk, omdat mijn kamer een straat verderop was en gespiegeld, maar verder hetzelfde.

Ik zei tegen Tammar hoe ik mijn kamer vroeger had ingericht, elke maand anders, en dat ik mijn bed had opgesloten achter twee kasten, van die kasten die bij het huis hoorden en die vroeger iedereen had. Van die vierkante blokken met een grote deur met een schuifje om hem op slot te doen. Aan de achterkant had ik posters hangen, zwart-wit, eentje van Marylin Monroe, en een andere van een soldaat die net dodelijk werd getroffen met het woord “why” erbij. Niet dat ik me daar echt druk over maakte, maar op die leeftijd moest je je ergens druk over maken.

Ik had een “playmate van de maand” poster, miss juni uit 1985, ze poseerde tegen een fiets en in die tijd hadden ze nog geen tondeuse. Ik had een stuk achterwand weggezaagd, (huurhuis) zodat ik een soort schuilkelder kreeg waarin ik me terug kon trekken. Het had een nauwe ingang waar ik nu niet meer in zou komen. Aan de andere kant van de kamer deed ik hetzelfde, ik had die kamer volledig uitgewoond. Ik had er een eettafel staan, een witte ronde met rode poten en rode stoelen, die kwam uit de keuken van mijn vorige ouderlijk huis. Als je de tafel op z’n zijkant kantelde had je een schild voor het sokkengevecht dat ik met een vriendje hield, hij aan de andere kant van de kamer en dan bekogelden we elkaar met een bol sokken. Het bureau van mijn vader dat in ons oude huis achter in de huiskamer stond hadden we zwart geverfd en stond nu bij het raam. Een metalen bolvormige lamp met een gebogen stang, ook al uit onze huiskamer van vroeger, hing aan de muur en diende als bureaulamp. Hij kon in een halve cirkel bewegen en de ijzeren bol kon goed heet worden. Ik had een petroleumkachel en hoe ik dat heb overleefd snap ik nog steeds niet. Ik kon het in elk geval bloedheet krijgen op mijn kamer, zelfs in de winters van 85 en 86. Ik had een Philips radio-cassetterecorder, gekocht bij de kijkshop in Arnhem voor 295 gulden, maar later kreeg ik een tweedehands stereoset. Als ik hem hard zette klonken de Dual speakers niet best, ze waren slechts zes watt, en ik zei tegen mijn vader dat het geluid kraste. Maar hij dacht dat de band kraste. Het was Bronski Beat met Smalltown Boy.

Een smalltown boy ben ik altijd gebleven, of beter, kon ik altijd blijven omdat ik eenmaal niet naar de grote stad gedwongen werd zoals Jimmy Somerville. Ik ben niet eens een man van een kleine stad, ik ben een dorpeling. Wel geboren in een grote stad, dus ik hang er altijd maar wat bij.

Buurjongen

In 1983, toen ik in Vaassen kwam wonen kreeg ik een buurjongen, die op hetzelfde moment hier kwam wonen. Wij hadden de zolderkamers en onze dakkapellen grensden aan elkaar. Vrijwel elke avond voor het slapen gaan stonden wij met het raam open met elkaar te praten. We maakten ook een kabelbaan om goederen naar elkaar te vervoeren, en een microfoon zodat we elkaar ook met het raam dicht konden horen, en we klommen uit het raam naar elkaars kamer. Altijd goed gegaan, op de keer na dat een overbuurvrouw bij mijn moeder kwam melden dat wij over het dak liepen.

Nou ja, we deelden dus ongeveer alles en het duurde tot 1988, toen gingen de buren verhuizen. Daarna verwaterde het contact snel. Pas in 2014 hoorde ik weer iets van hem, via Linked-in. En daarna niet meer. Totdat ik deze week weer op Linked-in een droge mededeling zag: “Hee buurman, nog iets gebeurd de afgelopen tien jaar?” Daar moest ik wel om lachen en we praatten even bij, en hij deed zelfs het voorstel om als hij weer eens in de buurt was, even langs te komen. We gaan het zien.

Het was in elk geval destijds een steun en toeverlaat om overal over te kunnen praten, jarenlang, hangend uit dat dakraam. Ons oude huis staat te koop, daarom kon ik even een foto stelen van de plek waar het allemaal gebeurde.

Mack maakt saai spannend.

Ik maakte het weer mee. Zo’n situatie die dreigde ongemakkelijk te worden maar die net op tijd gered werd. Bij het programma “politie op je hielen” zouden ze zeggen: “dit had ook heel anders kunnen aflopen!” “Ja, maar dat deed het niet,” roepen wij dan geërgerd terug naar de tv, maar ik maak me vaak aan precies hetzelfde schuldig. Maar ik ben geen politie, ik heb een kantoorbaan, dus voor mij is het veel spannender. Ook dat ik begin met “dreigde ongemakkelijk te worden” in plaats van “werd levensgevaarlijk” duidt op een hele saaie gebeurtenis.

Nou ja, ik liep dus in het bos en nam een pad dat ik niet kende. Het was kwart over vier, nog licht, maar niet meer voor lang. Het pad zou volgens mij terug moeten lopen naar de weg die ik moest hebben, en ik gebruikte het kompas op mijn telefoon om te zien of ik in de goede richting liep. Dat liep ik, en net iets eerder dan ik wilde kwam er een zijpad naar de weg waarvan ik vermoedde dat die daar lag. Ik liep nog door, omdat ik liever door het bos liep dan over de weg, en mocht het fout gaan, dan hoefde ik alleen maar een stuk terug.

Maar het ging fout en ik was al te ver. Zou ik teruggaan dan zou het donker zijn als ik nog in het bos liep, en ik weet dat dat geen pretje is. Dan heb je helemaal geen idee meer waar je bent en kun je gaan dwalen. Ik starte internet op, maar er was daar geen internet. Gelukkig deed Google maps het wel, en snap ik sinds kort een beetje hoe dat werkt. Maar dan nog, een veel te klein scherm, een trekkende hond, en alleen maar een groene vlakte op je beeld maakte het niet eenvoudig. Als ik ver genoeg uitzoomde zag ik dat ik niet zo ver van de weg was, echter was het een andere weg dan de weg die ik zocht. In het bos is het lastig oriënteren, dat bleek wel want ik wist bijna zeker dat aan mijn rechterhand de weg moest zijn, maar óf de weg, óf ik had ergens een bocht gemaakt waardoor dat niet meer klopte.

De weg die ik zocht was er een die niet toegankelijk was voor auto’s dus ik hoorde ook niks. De weg waar ik nu naartoe ging was dat wel, maar ik hoorde nog niks. Goed, om tien voor vijf had ik de weg gevonden, maar omdat ik gedesoriënteerd was, keek ik op mijn telefoon of ik links of rechts moest. Rechts, zoals ik ook dacht, maar je weet het hier nooit.

Het ergste wat had kunnen gebeuren is dat ik in het donker aan het dwalen was geslagen. Niet leuk, maar niet gevaarlijk. Hoewel, als de wolven me op het spoor waren gekomen? Of als er een tak op mijn hoofd waaide? Wat als ik onderkoeld raakte? Nee, dit had ook heel anders kunnen aflopen!