Sporen

Een aantal van u weet wel dat mijn vader slechts veertig is geworden. Vorige week zou hij 68 zijn geworden. Ik ben tweeënveertig, en ben er niet meer zoveel mee bezig als tien jaar terug. Maar toch, een vader schijnt van enorme invloed te kunnen zijn. Adriaan Van Dis zei op licht beschaamde toon dat hij nu 66 was, en dat hij tijdens de live uitzending van Zomergasten nog steeds met zijn vader bezig was, terwijl hij dat niet wilde. Dat hij vanwege zijn vader zelf nooit aan kinderen begonnen is. Maandag, wij keken in de herhaling naar The Voice, waar een vrouw vertelde dat ze haar vader kort geleden voor het eerst aan de telefoon had. En dat ze de hele dag fier rechtop had gelopen al denkend: ik heb een vader! Op zulke moment blijf ik naar de televisie kijken, onterecht bang als ik ben dat Linda dan mijn rode ogen ziet. Vanavond, toen ik even bij Tammar op bed lag begon ze over opa Hans, dat die geen oma meer had en dat ze als ze groot was wel bij hem ging wonen. Zoiets. Ze begrijpt het nog niet helemaal, of ze bedoelde iets anders dan dat ik begreep, dat kan ook.

Ik denk steeds minder na over hoe zijn overlijden mij gevormd heeft, simpelweg omdat het goed met me gaat. Waarschijnlijk heeft het me eerst finaal uit het lood geslagen, maar ben ik toch weer wonderbaarlijk opgekrabbeld. Maar gisterenochtend tijdens het aankleden, ik was alleen op de kamer, krijg ik ineens en onverklaarbaar het haarscherpe beeld door van het moment dat hij op de bank afscheid nam van mijn oom. Hij met zijn uitgemergelde lichaam in een langdurige omhelzing met zijn zwager. En ondanks dat ik het niet echt zie, houden mijn ogen het dan even niet droog. Het duurt maar een paar seconden, niemand merkt het, maar dit zijn de sporen die, als je goed zoekt, nog over zijn van het drama dat zich ooit voltrok.

Een nieuwe school.

Vandaag was de eerste schooldag voor Hans en Tammar op hun nieuwe school. Linda bracht Tammar naar de klas, ik Hans. Hans is pas zeven en gaat nu naar groep vier. Hij is een grote jongen voor zijn leeftijd, en soms gedraagt hij zich best stoer, maar ik ken hem ook als hij met zijn stevige, bruine lijfje in zijn zwembroek met zijn schepnetje een uur lang geduldig in zijn eentje staat te wachten aan de waterkant tot hij een visje vangt. Hij is nog maar een klein jongetje.

Ik weet nog hoe ik me voelde toen ik een keer midden in het jaar naar een nieuwe school ging, ik was al dertien maar toch was ik blij dat mijn vader me even bij de directeur afzette. En nu stond ik op het schoolplein en zag weer dat voor mij onbekende, dat massale wat me in mijn late middelbareschooltijd altijd angst in boezemde. Liefst maakte ik rechtsomkeert van dat bedreigende gebouw vol met opgeschoten jongens en leraren die mij figuurlijk een lesje zouden leren. Na een week had ik meestal al wat meer praatjes.

Toen ik Hans in de klas zette, was hij stil, terwijl de meeste kinderen, omdat ze elkaar al kenden, honderduit praatten. De juffrouw kwam naar Hans toe en gaf hem een doosje kleurpotloden en een boekje waar hij in kon kleuren. Stilletjes ging hij aan de gang, netjes binnen de lijntjes, en ik vond dat ik maar moest gaan. Ik sprak hem gemaakt vrolijk toe, maar ik voelde een brok en van binnen voelde ik me schuldig dat we hem uit zijn vertrouwde omgeving hadden gehaald en zomaar op een andere school hadden gedaan.

Toen ik ’s avonds thuiskwam vertelde hij enthousiast dat het leuk was geweest. Maar hij was ook zichtbaar moe. Ik bracht hem naar bed en las eerst Pinkeltje op zoek naar Klaas Vaak nog even voor. Hij is nog maar een klein jongetje. Iets in mij zou willen dat onze kinderen gewoon zo klein bleven. Voor het stoeien en de grapjes, voor de knuffels en het troosten.

Felicitaties

Geachte fiscaal adviseur,

Mede namens de examencommissie feliciteer ik u hartelijk met het behalen van het diploma voor de opleiding Fiscaal Adviseur (FA)
Diploma en cijferlijst worden ondertekend door de examencommissie. U kunt het diploma op de bijeenkomst op 7 september in Utrecht ( of op 27 september in Leeuwarden) op komen halen of de stukken thuisgestuurd krijgen. Graag hoor ik van u waar de voorkeur naar uit gaat.

De Noorderzon

Ik luisterde net even naar het nummer “De Noorderzon” van Conny Vandenbos, onder mijn aandacht gebracht door een logje van Rob Hamilton. Ik kende het nummer wel, want mijn moeder had een cd van Conny waar het opstond. Ik vond het wel een leuke meezinger toen ik achttien was. Maar hoe anders is dat nu! Het gaat over een man die ongelukkig is in zijn gezinsleven en met de Noorderzon vertrekt. IJsland of Canada was de waarschijnlijke bestemming. Zijn zoontje leek op hem en zijn dochtertje op haar. Niemand had iets in de gaten.

Ik moest slikken toen hij op het vliegveld in zijn zak voelde en een wantje van zijn zoontje aantrof. Want potverdorie, wát een egoist! Hoe kún je het hen aandoen? Kijk, ik heb me gewoon neergelegd bij mijn uitgestippelde leven. Wat zeg ik, ik ben er trots op. Ik ben op niets zo trots als op mijn gezin. Zelfs al haal ik straks mijn diploma, dan nog verbleekt dat bij de aanblik van een net gedouchte Tammar in haar pyjama. Bij de smoezen die Hans verzint om ’s avonds nog even zijn bed uit te komen. Bij Linda die hier zorgt dat niemand iets te kort komt.

En ja, we ruziën ook. Ik verdwijn dan niet, want ik wil dat het weer goed komt. Ik ga dan hinderlijk in de weg lopen om de wiedergutmachung af te dwingen. Linda wil nog wel eens verdwijnen in zo’n geval. Dan is ze in de tuin. Onze bruiloft stelde dan wel niet zo veel voor, het huwelijk is volwaardig. Dus al kunnen we soms de wederzijdse schijt krijgen, niets weegt op tegen de stevige basis waarom het gezinsleven draait.

Dus mocht ik ooit met de Noorderzon vertrekken, dan denk ik dat ik bij de afslag Apeldoorn-Noord alweer rechtsomkeert maak.

Jongetje

Na een hoop ellende op de school van Hans, die een paar maanden geleden begon met het vertrek van juffrouw Kim, hebben we nu besloten hem naar een andere school te doen. Eerst wilden we er niet aan en hoopten we dat de situatie zou verbeteren, maar hij leek alleen maar te verslechteren. In het begin was er een hoop onrust onder de ouders, maar de meesten kozen eieren voor hun geld, slechts drie kinderen vertrekken. Uit de klas van Hans nog een jongetje, zodat het aantal jongetjes in die klas nu daalt naar drie. Het waren er twee geweest als er in de loop van het schooljaar niet nog een jongetje was bijgekomen.

Dat jongetje dat erbij is gekomen, heeft een vreemde naam. Zo’n naam waarvan je denkt dat die niet veel goeds belooft. De moeder van het jongetje is overleden en zijn vader is vrachtwagenchauffeur en dientengevolge heel weinig thuis. Eerst dachten wij dat de vader een nieuwe relatie had, want het jongetje woont bij een vrouw die elke ochtend haar kinderen met een dikke Mercedes met een asbak vol peuken naar school brengt over een afstand van wel 700 meter. Maar het jongetje blijkt officieel op een camping te wonen, met zijn vader in een caravan.
Het lijkt alsof de vrouw het jongetje liever kwijt dan rijk is, want regelmatig vraagt ze of het jongetje bij Hans mag spelen, en als ze het niet vraagt, vraagt het jongetje het zelf. Met als gevolg dat hij hier elke woensdag- en vrijdagmiddag is. Hans en het jongetje kunnen goed met elkaar opschieten.

Maar nu kwam het jongetje ter ore dat Hans van school gaat en hij was teleurgesteld. Ik vond het spijtig voor hem, toen ik het hoorde. Kom je midden in het jaar op een andere school, vind je een vriend en dan gaat hij weg. Het ging al even door mijn hoofd om het jongetje te adopteren, al heb ik hem nog nooit gezien, maar dat zal wel niet zo’n goed plan zijn. Maar verhalen van kinderen die niet in veilige havens terecht zijn gekomen blijven uitermate triest.

Waar de doden zijn…

Ik ben nu ouder dan mijn vader ooit geworden is. Daarnet las ik nog eens zijn afscheidsbrief aan mij, en is hij weer dichtbij. Hij was veertig toen hij hem schreef voor zijn vijftienjarige zoon. Het gevoel dat het oproept is niet prettig. Het voert terug naar de zware tijd die volgde, en waarvan ik geen idee had hoe ik er door moest komen. Dat hij hoopte dat mijn verdere studie prettig zou verlopen, dat schreef hij. Nou, niet dus. Het was hel, en ik stopte er al snel mee. Ik was zwaargewond geraakt aan mijn hart maar geen ambulance kwam mij halen. Ik liep door omdat ik niet anders kon.

Het is heel raar. Vaassen, januari 1985 staat er boven de brief. En hij eindigt met: ga niet emigreren, blijf in de buurt van je moeder. Het zal onbewust wel meegespeeld hebben. Nooit ben ik uit haar buurt geweest. Nog steeds niet. De letters vervagen, de impact na al die jaren niet. Het zelfherstellend vermogen van de mens is wonderbaarlijk. Een gebroken hart groeit weer aan elkaar. Het litteken zit van binnen, het moet haast zichtbaar zijn. Het hart functioneert weer als vanouds, je voelt de pijn alleen nog als je op het litteken drukt.

Het is vreemd, wat zo’n brief ineens weer losmaakt. Ik heb mijn vader aan een vliegertouw, op gepaste afstand reist hij mee. Nu is de klos ineens weer opgerold en hou ik de vlieger in mijn hand.

SAZU

Dit is het oude academisch ziekenhuis van Utrecht, aan de Catharijnesingel 101. Ik ben er vroeger een aantal keren geweest omdat mijn vader er een week of zes heeft gelegen i.v.m. een risicovolle rugoperatie. Het rook er ouderwets naar ether, zodat je wist dat je in goede handen was. Ik zat in die tijd ingekwartierd bij kennissen in Drunen, en zag de overige gezinsleden gedurende die zes weken alleen in het weekend, want zij verbleven in Utrecht, waar mijn vader lag. Ik herinner me er niet meer zoveel van, behalve dan toen hij net geopereerd was en stil moest liggen. Ik liep naar hem toe en hij stak zijn hand uit met een van pijn vertrokken gezicht. Hij hield mijn hand lang vast. Achteraf denk ik dat het de eerste keer was dat ik hem zag huilen. Het was zijn tweede rugoperatie en de kans was aanwezig dat hij verlamd zou raken. De uiteindelijke schade was slechts een zwakke enkel. De artsen waren zelfs in de jaren zeventig al knap. Ik herinner me het gebouw als mooi, zoals de hele stad Utrecht mooi was. Utrecht was een belangrijke stad, want wij kwamen er vandaan.

De tweede keer dat ik hem zag huilen was toen we verhuisden van Drunen naar Vaassen. Ik zat bij hem in de auto, mijn moeder, broertje en zusje reden achter ons. Ik zag de traan toen we de straat uit reden en de buren ons uitzwaaiden. En waarom eigenlijk? Om twee jaar te gaan werken in een ander deel van het land en om daarna dood te gaan.

De derde en laatste keer dat ik het gezien heb, was hem net door de huisarts verteld dat hij kanker had. 39 was hij toen pas. Ik zag hem omarmd met mijn moeder op bed zitten. Zij wisten toen al wat kanker betekende, ik nog niet. Nee, huilen deed hij niet zoveel, mijn vader. Ik heb het drie keer gezien in 15 jaar. Ik weet zeker dat het meer geweest is. Het gebouw van het Sazu is nu grotendeels afgebroken. Het statige hoofdgebouw is echter verbouwd tot appartementencomplex. De bewoners hebben geen idee. Hun onwetendheid is ook wel weer mooi.

De geweldigheid van Mack.

http://www.youtube.com/watch?v=oBcToQJZH44&list=UUMuw1SaTpPOkUlHUj5viYJw&index=1&feature=plcp

Pogingen om mij op Twitter te krijgen. Omkooppogingen zijn het bijna. Volgens Linda is dit niet goed voor me en ga ik hiervan naast mijn schoenen lopen. Maar nee hoor. Niet speciaal hiervan. Het hoort een beetje bij mij, een poosje naast mijn schoenen lopen en vervolgens weer heel hard moeten nadenken over wat ik nu ook alweer gepresteerd heb in mijn leven. Anna Maria vindt het leuk als ik zenuwachtig ben, Polderzilver vindt mijn autokennis onweerstaanbaar, haast op dezelfde manier als Linda opgewonden in slaap valt als ik haar iets vertel over het heelal, en Marloes prijst mijn humor.

Vervolgens vertellen ze stuk voor stuk dat ze mijn weblog niet meer lezen. Waarschijnlijk in mijn eigen belang. Ik zou er anders maar teveel waarde aan hechten. Weblog is mijn verslaving, mensen. Ik ga niet trillen of kwijlen als ik het niet kan doen, maar ik vind de interactie van weblog leuker dan die van Facebook, hoewel ik daar misschien wel in mijn element ben met korte en droge opmerkingen, maar als het op gevoel aankomt, dan moet je toch echt hier zijn. Hier schrijven gaat zoveel verder dan Facebook of Twitter en het is slechts voorbehouden aan degenen die écht willen laten zien wie ze zijn, of althans, welk deel van hen geopenbaard mag worden.

Marloes noemde mij constant. Ze vergat daaraan toe te voegen: zoekend. Laatst hoorde ik mezelf nog denken dat het grootste leed betreffende mijn vader intussen wel was geleden, dit weekend ben ik nogal emotioneel. En dan speel ik geen emotoneel. Om het minste of geringste grijpt iets naar mijn strot, waardoor ik bijna een zonnebril zou moeten opzetten om cool te moeten blijven lijken schijnen dunken voorkomen. Linda was er een nachtje niet, en zie eens hoe eenzaam en hulpeloos je gelijk bent als man. Terwijl als ze er wel is, ik vaak zat denk: hee, shut eens even up, zeg! Maar nee, de emotie komt afgezien van het feit dat ik onder druk sta – ik hoop volgende maand meer te kunnen zeggen- ook wel voort uit het door iemand met m’n neus op de feiten gedrukt worden. Linda dus. Zonder haar ben ik het duidelijk niet. Dat brengt mij in de war. Ik ben afhankelijk. Iets wat je juist niet geacht wordt te zijn, in deze soms boze wereld. In werkelijkheid is de wereld niet zo boos, maar wordt ze slechts overbevolkt door angstige schapen, die het de vastberadene soms nog knap lastig kunnen maken.

Maar goed, weer een Twitteraanval afgeslagen. Nog een paar, en ik ben er ongevoelig voor.

Tammar en Opa Snor

Kinderen hebben tegenwoordig geen Opa de Jong of Oma de Vries meer. Dat is afgeschaft. De mijne hebben een Oma Klok, een Opa Snor en een Opa en Oma Woefwoef. En ook nog een Oma Roelie en een Opa Harrie. De vrouw van Opa Snor noemen ze helaas geen Oma Snor. Dat zou pas leuk geweest zijn. Een Opa Klok ontbreekt. Die noemen ze dan weer Opa Hans. Maar die is dood. Maar ze vinden hem wel lief, ondanks zijn doodheid. En ik weet wel zeker dat Opa Hans zijn kleinkinderen geweldig zou hebben gevonden. Alhoewel ik me er weer geen voorstelling bij kan maken dat hij ze ergens mee naar toe zou nemen. Niet de Efteling, niet een museum, hooguit naar een vliegshow. Of mee op vakantie, dat had ook nog gekund. Maar in 27 jaar kan hij best van karakter veranderd zijn. Dat doet eigenlijk iedereen, daar hoef je niet per se levend voor te zijn.

De extra tijd

Tussen kerst en oud en nieuw word ik overvallen door een vreemd gevoel. Alsof je in de extra tijd van de wedstrijd leeft. Het laatste fluitsignaal gaat spoedig klinken, maar de wedstrijd is gespeeld. Je staat voor, dat wel. Je hoeft niet meer te scoren, slechts het doel moet plichtmatig nog verdedigd worden. Je knipoogt naar je teamgenoten, die de overwinning ook al voelen. Het bevrijdende fluitsignaal, dat je een ronde verder brengt, liefst wil je het niet horen en altijd blijven spelen in de extra tijd. Je speelt immers niet tegen de Duitsers. De tegenstander heeft het opgegeven en gaat niet meer in de aanval. Na het fluitsignaal volgt een korte overwinningsroes die gevierd wordt met champagne. Als je ontwaakt bevind je je in een leeg schrift. Waarin elke letter nog ontbreekt maar waarin je dagelijks inkt laat vloeien. Na verloop van tijd weet je niet meer anders en ben je weer volop in competitie. Je bent sterk, je kunt je tegenstanders hebben, maar zo veilig als in de extra tijd, nee zo veilig is het nooit.