Mij kwam een vrouw tegemoet die volgens haar aan de rechterkant van de weg liep. Ik liep aan de linkerkant, dus de oplettende lezer begrijpt nu dat we aan dezelfde kant liepen.
Ik voelde me nog steeds niet optimaal, moe eigenlijk, en ik vroeg mij af waarom ze niet aan de andere kant liep. Je moet aan de linkerkant lopen is mij geleerd, dus grote kans dat dat nu veranderd is zoals ze alles veranderen om de grond onder mijn voeten weg te graven. De vrouw was jonger dan ik, dus zij zou die nieuwe regel wellicht kennen.
Maar ik niet, ik ben van de oude stempel dus ik loop links en anderen moeten opzouten. Het moment begon te komen dat één van ons moest uitwijken en ik stond in mijn recht. Maar, ik ben ook van de oude stempel en hoffelijkheid is belangrijker dan je recht opeisen. Ik week dus uit in de berm zodat ze ongehinderd kon passeren. Ze groette me ik het voorbijgaan, en ik voelde me iets minder moe. Dit voelde juist en zo moet het blijven. Een man moet offers brengen aan een vrouw die zich buiten haar huis waagt en moet zorgen dat ze niet in gevaar wordt gebracht.
Als het een andere man was geweest had ik mijn recht opgeëist en had die moeten wijken. Als hij mij geraakt zou hebben zou het uitgevochten moeten worden in een duel op leven en dood.