Er was eens een arme houthakker. Het enige wat hij en zijn gezin te eten hadden waren raapstelen. De raapstelen groeiden aan de andere kant van een kolkende rivier die hij alleen kon bereiken via een gammele hangbrug. Naast de hangbrug was er wel een veel veiligere tolbrug, maar de houthakker kon de tol niet opbrengen. Op een dag toen hij zijn dagelijkse oversteek maakte, brak een touw van de hangbrug. De houthakker verloor zijn evenwicht en viel in het kolkende water. De houthakker kon niet zwemmen, maar dat had sowieso weinig zin in deze rivier waar zelfs Pieter van den Hoogenband kansloos in was. De houthakker werd meegesleurd door de stroming en net toen hij dreigde te verdrinken, werd hij tegen een rots in het water gesmeten. Versuft greep hij zich vast en daar hing hij in het water, midden in de rivier terwijl het water woest om hem heen sloeg.
Na een paar uur zag hij aan de oever zijn vriend de boswachter lopen en riep om hulp. “Boswachter, red mij, want ik kan niet zwemmen,” riep de houthakker. De boswachter bedacht zich niet, gebruikte de lier van zijn LandRover, wierp het uiteinde met de haak naar de houthakker en riep dat hij de haak aan zijn broek moest vastmaken. Toen de houthakker hierin geslaagd was trok de lier hem naar de kant. Proestend en half verdronken bereikte de houthakker de veilige kant.
Toen beide mannen enigszins bekomen waren van de schrik dachten ze na. Hoe moest de houthakker nu voor zijn gezin zorgen? De hangbrug werd gerepareerd maar de houthakker ging er niet meer overheen, hoezeer de honger ook knaagde. De boswachter deelde zijn weinige eten met de houthakker en zijn gezin, maar de boswachter verdiende ook niet zoveel dat hij twee gezinnen kon onderhouden, en beide gezinnen leden honger.
In het dorp vlakbij het bos was het avontuur van de houthakker en de boswachter als een lopend vuurtje in de rondte gegaan. Ook de rijke koopman uit het dorp en tevens voorzitter van de plaatselijke Rotary en bovendien eigenaar van de tolbrug, kwam het verhaal ter ore en deze bracht een bezoek aan de houthakker. “Houthakker, ik wil je een voorstel doen. Voortaan mag je met 50% korting over mijn tolbrug. Het enige wat ik vraag is dat ik voortaan de helft van je houtopbrengsten krijg. Echter, ik heb een groot netwerk, en ik kan zorgen dat je meer hout kunt verkopen. Als alles goed uitpakt heb je dankzij mijn netwerk straks naast raapstelen ook vlees en aardappelen te eten. Ik zeg je er alleen bij: ik werk niet mee, het enige wat ik doe is je toegang geven tot mijn tolbrug en mijn netwerk, ik wil geen gezeur hebben over het feit dat ik de helft van je toekomstige winsten krijg terwijl ik niks doe.”
Het leek de houthakker en de boswachter een goede deal. Het gezin van de houthakker was dolblij nu hen vlees en aardappelen in het vooruitzicht werd gesteld. De rijke koopman werd geprezen. Hij was een harde zakenman, maar hij zei eerlijk waar het op stond.
Oke. Tot zover. Nu mijn vraag. Wat is uw oordeel over de rijke koopman?