We hebben het weer overleefd.

Irm Vanuit hier heb ik u (achteraf) op de hoogte gehouden van de gebeurtenissen tijdens onze vakantie. Een superdeluxe maar desondanks spotgoedkope IRM. € 1100,- voor twee weken in het hoogseizoen inclusief eindschoonmaak mag toch te geef heten. Helaas stopt het niet bij de huurprijs. Wij zijn nu dus ook aan het eind van ons geld. Volgend jaar maar een all-inclusive hotel in Turkije. Echt iets voor ons. Dan blijft het ook bij de prijs die je vooraf hebt betaald, mits je binnen de omheiningen van het gevang blijft.

Ik zag op het journaal dat een derde van de Nederlanders op vakantie niet meer zonder internet kan. Ik dacht daar eens over na. Ik vind het altijd wel weer een uitdaging, vakantie zonder internet. Zal ik het weer overleven? Nou, ternauwernood hoor. Ik beef als een rietje, ik ben niet te genieten, lig de hele dag depressief in de caravan te stinken en ik drink constant bier, om het maar te kunnen vergeten. Ik begrijp ook niet hoe die mevrouw uit Limburg die in Spanje was verdwaald, zo lang zonder internet heeft gekund. En ze straalde gewoon weer, twee dagen later. Onbegrijpelijk. Als een terrorist de westerlingen echt wil treffen, valt hij de providers aan en legt internet plat. Tuurlijk, 11 september was erg, maar na een maand was u de berichtgeving erover toch ook wel zat? Om maar te zwijgen van het gezeur over de Tweede Wereldoorlog. Nee, internet vernietigd door terroristen, de hel kan niet erger zijn! Laten we bidden dat het nooit gebeurt.

Ik beroep mij op art 1, lid 5.

Het is tijd mij te beroepen op art 1, lid 5, Blogwet 2011. Het stormt en de regen valt bij bakken uit de lucht en wij hebben korte broeken klaarliggen voor morgenochtend. In Zuid Frankrijk is het wel iets beter, maar overhouden doet het momenteel ook niet. Maar goed, nog nooit in mijn leven is een vakantie totaal verregend, dus dat zal wel loslopen. En als het heel koud is hebben we Dr. Bibber bij ons om te spelen.

Al een aantal jaren achter elkaar gingen wij naar de Ardeche. Mooi, droog en warm, maar altijd als ik bij Lyon het bord richting Grenoble zag, wilde ik die kant op, richting de hoge bergen. En nu zal het wel andersom zijn, nu wil ik waarschijnlijk richting Valence.

We zien het wel. Het grootste probleem is dat Hans vandaag koorts en buikpijn had, en bovendien heeft overgegeven. Dus hopelijk is het morgen wat beter met hem. Van oma kregen we zoals gebruikelijk vlak voor de vakantie een hoeveelheid snoep waarvoor we speciaal een dakkoffer moeten huren. We kunnen dan ook de hele camping elke dag twee keer trakteren. U ziet, wij doen alles om aansluiting te krijgen op een camping. Het is ons nog nooit gelukt. Kennelijk vinden ze ons arrogant. Maar goed, we hebben boeken en schrijfgerei zodat mevrouw Mack en ik ons kunnen vermaken als onze vakantie ingaat, de komende twee weken dagelijks van negen uur ’s avonds tot een uur of elf.

Wageningen

Ik zat bovenop de Wageningse Berg, op een natgeregend bankje. Er is het gelijknamige stadion, waar voetbalgeschiedenis is geschreven en waar de tegenstander met knikkende knieën het veld betrad, maar dat is denk ik volgens de eigen fans. Ik weet wel van Bram Braam en Gerdo Hazelhekke, maar toch vind ik dat anders dan Bergkamp of Gullit. Het is er trouwens indrukwekkend mooi, daar bovenop die berg. Het regende, om de twee meter maakte een pad (zo’n kikkerachtige) dat hij uit je te volgen pad (zo’n weg-achtige) wegkwam. En het uitzicht over de Nederrijn en de Betuwe is prachtig. Zeldzaam plekje.

Even later kwam ik langs Hotel de Wereld, waarvan ik onlangs te weten kwam dat daar de vrede met de Duitsers helemaal niet is getekend, en toen vond ik toch dat ik best veel geschiedkundigs had gezien op een doordeweekse avond. En dan schijnen ze sinds kort in Wageningen ook nog zoiets te hebben als “De paal van Bernhard”. Maar wat die allemaal heeft meegemaakt, dat is een geheim wat meegegaan is in de grafkelder van de Oranjes. Het schijnt nogal wat voeten in de aarde te hebben gehad, waar die paal nu precies geplaatst moest worden. Ik moet eigenlijk spreken van “bijzetten”, want Oranjes, en dus ook hun palen worden bijgezet. In het geval van Bernhard, vlakbij Hotel de Wereld.

De houthakker en de rijke koopman.

Er was eens een arme houthakker. Het enige wat hij en zijn gezin te eten hadden waren raapstelen. De raapstelen groeiden aan de andere kant van een kolkende rivier die hij alleen kon bereiken via een gammele hangbrug. Naast de hangbrug was er wel een veel veiligere tolbrug, maar de houthakker kon de tol niet opbrengen. Op een dag toen hij zijn dagelijkse oversteek maakte, brak een touw van de hangbrug. De houthakker verloor zijn evenwicht en viel in het kolkende water. De houthakker kon niet zwemmen, maar dat had sowieso weinig zin in deze rivier waar zelfs Pieter van den Hoogenband kansloos in was. De houthakker werd meegesleurd door de stroming en net toen hij dreigde te verdrinken, werd hij tegen een rots in het water gesmeten. Versuft greep hij zich vast en daar hing hij in het water, midden in de rivier terwijl het water woest om hem heen sloeg.

Na een paar uur zag hij aan de oever zijn vriend de boswachter lopen en riep om hulp. “Boswachter, red mij, want ik kan niet zwemmen,” riep de houthakker. De boswachter bedacht zich niet, gebruikte de lier van zijn LandRover, wierp het uiteinde met de haak naar de houthakker en riep dat hij de haak aan zijn broek moest vastmaken. Toen de houthakker hierin geslaagd was trok de lier hem naar de kant. Proestend en half verdronken bereikte de houthakker de veilige kant.

Toen beide mannen enigszins bekomen waren van de schrik dachten ze na. Hoe moest de houthakker nu voor zijn gezin zorgen? De hangbrug werd gerepareerd maar de houthakker ging er niet meer overheen, hoezeer de honger ook knaagde. De boswachter deelde zijn weinige eten met de houthakker en zijn gezin, maar de boswachter verdiende ook niet zoveel dat hij twee gezinnen kon onderhouden, en beide gezinnen leden honger.

In het dorp vlakbij het bos was het avontuur van de houthakker en de boswachter als een lopend vuurtje in de rondte gegaan. Ook de rijke koopman uit het dorp en tevens voorzitter van de plaatselijke Rotary en bovendien eigenaar van de tolbrug, kwam het verhaal ter ore en deze bracht een bezoek aan de houthakker. “Houthakker, ik wil je een voorstel doen. Voortaan mag je met 50% korting over mijn tolbrug. Het enige wat ik vraag is dat ik voortaan de helft van je houtopbrengsten krijg. Echter, ik heb een groot netwerk, en ik kan zorgen dat je meer hout kunt verkopen. Als alles goed uitpakt heb je dankzij mijn netwerk straks naast raapstelen ook vlees en aardappelen te eten. Ik zeg je er alleen bij: ik werk niet mee, het enige wat ik doe is je toegang geven tot mijn tolbrug en mijn netwerk, ik wil geen gezeur hebben over het feit dat ik de helft van je toekomstige winsten krijg terwijl ik niks doe.”

Het leek de houthakker en de boswachter een goede deal. Het gezin van de houthakker was dolblij nu hen vlees en aardappelen in het vooruitzicht werd gesteld. De rijke koopman werd geprezen. Hij was een harde zakenman, maar hij zei eerlijk waar het op stond.

Oke. Tot zover. Nu mijn vraag. Wat is uw oordeel over de rijke koopman?

Zoete wraak.

Ik heb lang niet zoveel verstand van de Tour de France als Rob Hamilton of zelfs als Hermanus maar ik weet wel dat wielrennen een heroïsche sport is. Als je de tijd vrijmaakt om een koers te volgen kan het ongemeen spannend zijn. Pas dan ga je het begrijpen. Wat ik inmiddels wel weet, maar niet kan vatten, maar in die gevallen laat ik mijn verstand boven mijn gevoel prevaleren, is dat het belangrijk is dat je achter iemand rijdt. Uit de wind. Zelfs al ben je maar met z’n tweeën, moet je beiden kopwerk doen om een kans te maken tegen een achtervolgend peloton. Doe je dat niet, wordt je geheid binnengehengeld. In “Andere Tijden Sport” ging het over de vete tussen ploegleiders Jan Raas en Peter Post. Uit beide ploegen was een renner ontsnapt en ze weigerden voor elkaar te werken. Op dat moment wordt er één van twee gedwongen om op kop te rijden, anders valt het helemaal stil. Schijnt wel eens gebeurd te zijn met Leontien van Moorsel, maar dat is een vrouw en dus was dat tactiek en geen testosteron.

Op dat soort momenten kan ik me levendig voorstellen dat de voorste rijder woest wordt en dat degene die niet op kop wil rijden zich niet populair maakt. Een derde ging heen met het been, dus de twee rivalen moesten strijden voor plaats twee en drie. Ik zou waarschijnlijk ontploffen als iemand constant in mijn wiel bleef rijden, geen kopwerk deed, en er dan in de onderlinge sprint al slipstreamend met de zege vandoor ging. Och, och och wat zou ik gefrustreerd raken van zo’n matennaaier. Eerlijk waar, ik zou hem op volle snelheid de hekken in rijden. Want voor een man is wraak zoet. Pas de dag erna, als de hormoonspiegel weer normale waarden vertoont, wordt hij bitter.

Uit verhouding

Films, dat blijft toch altijd een heikel punt in ons huis. Vaak begrijp ik een film niet terwijl Linda al een half uur voor het einde door heeft hoe de vork in de steel zit. En ik ben toch echt niet heel erg dom. Steeds vaker raak ik er van overtuigd dat ik in mijn vorige leven Japanner was. Oog voor detail, maar de samenhang uit het oog verliezend. Ik kan ook geen kleding combineren, maar mijn pupillen worden wel groter als ik iets zie wat ik mooi vind. Dus daar ligt het niet aan. Maar ik zie direct of een bepaald model auto uit verhouding is. Sommigen noemen dat smaak, en daarover valt niet te twisten. En daarom twist ik nooit over smaak, maar over verhoudingen.

Angelina Jolie bijvoorbeeld, de vrouwelijke hoofdrol in de film “The Tourist” is uit verhouding. Maar daar kom ik nog op terug. We keken dus een film. Ik bekijk alle details en vind het fijn om op die manier film te kijken. Wat mij betreft zijn het allemaal op zichzelf staande scènes. Prima, niet meer over nadenken. Totdat je aan het eind komt en er iets gebeurt wat totaal niet wil vallen bij mij. Linda legt het mij dan uit, en op dat moment was voor mij de hele film verpest. Je moet het zo zien, er is een goede, die de hele film goed is, er wordt ook geen enkele aanwijzing gegeven dat dat niet zo is, behalve aan het eind, om het hele verhaal bij elkaar te laten komen blijkt de goeie ineens een slechterik. Daar hou ik dus niet van. Een dwaalspoor prima, maar dan wel zo dat de slimme kijkers al wel lont kúnnen ruiken. Ik dus.

In deze film gebeurde het dus dat de goeie de slechte bleek. Zelfs dat had ik nog niet eens door, want mijn vertrouwen in het goede is zo grenzeloos dat mijn hersenen zoiets niet accepteren. Totdat Linda mij zei dat het zo was en ik luidkeels protesteerde. Want nu klopte er dus geen bal meer van de details die ik gezien had en wie houdt er nu van om genept te worden? Maar Linda legde mij daarop nog iets uit wat ik gemist had -ik zat op de verhoudingen van Angelina te letten- en toen klopte het ineens weer wel. En nu vond ik het dus wél een goeie film. Terwijl ik het een minuut daarvoor nog een waardeloze film vond, maar al die tijd daarvoor vond ik het een uiterst vermakelijke film.

En dan nog over Angelina. Ik wist eigenlijk helemaal niet goed wie dat was. Ik vond haar ook wat leegjes en misschien wel te perfect. Als ik haar niet gegoogled had om haar te betrappen op plastische chirurgie, had ik vermeld dat ze me aan Lara Croft deed denken. Zo’n vrouw waar werkelijk niks aan mankeert en ver buiten het bereik van de gewone man ligt, en daardoor aan aantrekkelijkheid verliest. Maar in deze film vertoonde ze hoe langer hoe meer menselijke trekjes. Nu ligt ze nog steeds evenver buiten mijn bereik, maar haar verhoudingen kloppen in elk geval weer.

Liefhebberij

Nee, ik wil niet weer verzaken maar de omstandigheden noopten mij ertoe. Mooi woord hè, nopen? Ik wil wedden dat u dat nog niet eerder heeft gelezen in mijn logjes. Maar wat zijn de omstandigheden dan? Ik werd de afgelopen dagen in beslag genomen door een ander social media event. Hyves, Twitter, Facebook, Tieten.com? Nee, niets van dat alles. Het was Youtube. Verslavend tot en met. Je klikt op een filmpje en je krijgt gelijk weer tien andere aan het onderwerp gerelateerde filmpjes te zien. Dus ik heb weer allemaal jongetjes in snelle auto’s bekeken. Het begon met 200 km/u en het eindigde met 391 km/u.

Het zijn altijd mannen, met die auto’s. Voor sommigen is de auto een statussymbool en zij willen altijd het nieuwste model rijden. Je herkent ze aan hun ontevreden gezicht na verloop van een jaar van het leasecontract. Het nieuwe is er dan af en niemand toont nog interesse, maar ze moeten het contract nog drie jaar uitdienen. Als je ze iets vraagt over hun werk dan hebben ze geen idee, maar de afloopdatum van hun leasecontract kennen ze uit hun hoofd. Volgens mij zijn het ook geen loggers, leasers. En dan heb je nog de andere categorie. Dat zijn de liefhebbers die al hun geld spenderen aan hun auto. Zij voeren hem op, op verschillende manieren. Sommigen gebruiken lachgas, maar daar hou ik niet van. Dat zijn kortstondige krachtexplosies die duren tot je flesje op is. Nee, ik hou meer van gemonteerde turbo’s, of complete motortransplantaties. Maar het meest hou ik van een razendsnel origineel. Liefst met backfire.

Maar goed, ik wil u eigenlijk niet de dupe laten worden van mijn geyoutube, dus gaan we het nu niet over auto’s hebben. Nou ja, nog één ding dan. Linda heeft de airco in haar Nissan laten maken. Vlak voor de vakantie. Wat is ze toch een slimme meid. En ze was € 780,- goedkoper uit dan ik toen ik vorig jaar mijn airco liet maken. Maar goed, ik moet ook elke dag 7 kilometer naar mijn werk rijden, dus dan mag het.

De huidige generatie mannen

Over krap twee weken vertrekken we naar Zuid-Frankrijk. Dus dat wordt weer spannend op de heenreis. Om één of andere reden is mij na al die jaren niet gelukt om bij mijn wederhelft een onvoorwaardelijk vertrouwen in mijn kunnen te scheppen. Ik ben toch de man, dus ik weet van wegen, afstanden, mogelijke problemen en gevaren onderweg. Laatst vroeg ze hoever het was van Dijon naar onze eindbestemming, vlak bij Grenoble. Haar vader was erbij en die geldt bij haar wél als een autoriteit op de genoemde gebieden. De beste man is zijn hele leven internationaal vrachtwagenchauffeur geweest, dus hij weet uit zijn hoofd hoe wegen heten, en welke nummers bepaalde afslagen hebben. Maar goed, ik zei dat het 300 km was.

Even later werd het op de routeplanner nagekeken, dat steekt natuurlijk al, en ik hoor een diepe zucht. “Maar goed dat ik het even nakijk! 700 km!” Nou, dus echt niet hè? Ik vroeg of ze Dijon wel goed gespeld had. Nee dus. Ze had Dyon, en dat ligt inderdaad op 700 km afstand. Maar Dijon bleek op 302 km te liggen. Denk niet dat het helpt, dit gelijk. Omdat ik het ooit verpest heb op weg naar de Mont-Ventoux komt het vertrouwen nooit meer terug. Nee, ik zal ermee moeten leren leven. Mijn vader had het stukken makkelijker. Als hij zei dat iets zo was, dan werd dat aangenomen. Het werd niet eens nagezocht, het was gewoon zo. Het is een typisch tijdsverschijnsel. Misschien verduidelijkt dit ook mijn heimwee naar vroeger. Dit is ook de reden waarom ik tegen Tom-Tom’s ben. Als iedereen de weg kan vinden, waar blijf je dan als man? De huidige generatie mannen van mijn leeftijd heeft het zwaar. Nog opgevoed volgens het traditionele model, maar terechtgekomen in een totaal andere werkelijkheid.

De eerlijkheid gebiedt mij wel te zeggen dat ik wel eens vaker fout reed. Maar dat zijn de zenuwen om het fout te doen als mevrouw Mack naast mij zit. Vroeger reed ik nooit verkeerd. Ik snurkte vroeger niet eens! Ik bespreek dit probleem wel eens met andere mannen. Die geven mij het advies om op zo’n moment de auto te stoppen en te vragen om van plaats te wisselen. Maar dat zelf rijden is de laatste stuiptrekking van mijn mannelijkheid. Zou ik dat ook opgeven, heeft het leven geen zin meer.

Desondanks, we hebben er zin in! La France, ici-nous-venons!

Apart volk

We, Tammar en ik, moesten even wachten in de rij voor de bootjes in de Julianatoren. Voor mij stond een luidruchtige man. Ik sloeg er niet echt acht op, totdat ik me afvroeg waar ik dat accent van kende. Ineens zei hij luid: “dat moet je hem eens in z’n gezicht zeggen!” Het ging over mij. Zijn zoontje had mij aangewezen als slachtoffer om met z’n allen aan te vallen op het water. De bootjes konden water spuiten. Ik hoorde het mannetje aan en vroeg of hij wel goed kon zwemmen. De vader liet een bulderend gelach horen. Zijn vrouw kwam aanlopen en toen wist ik het: woonwagenbewoners.

Op het water werden wij inderdaad aangevallen door de bende. De mannetjes spoten ons nat. En onze boot was net gerepareerd, maar toch haperde de spuit soms. Maar met mijn hand in het water gooide ik een enorme plens water over een van de ventjes. Vanaf de kant begon een moeder hysterisch te gillen: “Hee, hij speelt vals,” en zij begon ons vanaf de kant te belagen op de zelfde manier. De andere mensen in de rij vonden het wel vermakelijk. Toen ik een ander ventje volplensde begon hij te huilen. Dat vind ik dan flauw, om als kamper te gaan huilen terwijl je halve familie aan de kant staat. “Pak, hem!” riepen ze aan de kant. Een andere vent riep me toe dat ze één grote familie waren. Ik antwoordde hem dat ik dat al gezien had. De vader in de boot zat nog steeds te lachen. Ach, het is maar water, zei hij tegen z’n zoontje dat wraak wilde nemen en vroeg of z’n vader mij in het water wilde gooien. Op de kant gaf ik het mannetje dat gehuild had even een vriendschappelijk tikje op zijn hoofd en vroeg of hij erg nat was geworden. Hij lachte alweer. Apart volk.

Heimwee

Heimwee, dat is een nare ziekte. Ik meen eens gelezen te hebben dat het pas ergens in de 19e eeuw voor het eerst werd geconstateerd door een psychiater. Iets met een soldaat die ziek werd en geen dokter die hem kon helpen. Hij werd depressief, viel af en kreeg ernstige lichamelijke klachten. Toen ze hem uiteindelijk op de trein naar huis zetten was hij halverwege de reis naar huis alweer volledig genezen. 93% van de Nederlanders schijnt er wel eens last van gehad te hebben. Ik heb er zelf niet zoveel last van, maar dat wil niet zeggen dat ik het niet zou hebben als ik ergens was waar ik niet weg zou kunnen.

Ik heb wel een ernstige vorm van heimwee naar vroeger. Maar ik weet niet of daar een woord voor is. Het is daarbij erg handig dat ik veel onthouden heb, zodat ik terug kan keren voordat ik ziek word. Aan de andere kant, zou ik die herinneringen niet hebben, had ik misschien ook geen “damalswee”. Soms kan ik een paar dagen wat somber gestemd zijn. Googleen naar tijden van weleer, ik kan me er een avond mee bezighouden. Dat helpt even, maar daarna wordt het alleen maar erger. Er is geen kruid tegen gewassen. Wat op zo’n moment helpt is lichamelijke inspanning. Liefst een wedstrijd. Die moet ik dan wel winnend afsluiten anders krijg ik weer last van het verloren-finalesyndroom. Op zo’n moment helpt alleen nog een schop onder mijn kont. Arschwee inderdaad.
Kortom, het is lang niet altijd gemakkelijk.

Met herinneringen is trouwens iets vreemds aan de hand. Met de mijne tenminste. Ik heb al vaker gemerkt dat ik een herinnering aan iets of iemand kan hebben, maar dat als ik dat iets of die iemand jaren later weer in gemoderniseerde versie tegenkom, het beeld van de oorspronkelijke herinnering vervaagt. Alsof je geheugen al die jaren zijn functie heeft vervuld, en nu weet dat het niet meer hoeft. Mij gedesillusioneerd achterlatend. Gelukkig keert het oorspronkelijke beeld ook altijd weer terug na verloop van tijd. Herinneringen, wees er zuinig op. Het zou wel eens het enige kunnen blijken wat een mens kan meenemen in zijn laatste jas.