Ik werd maandagavond ziek. Dinsdagochtend begon ik om tien uur te werken maar om één uur stopte ik. Woensdag en donderdag werkte ik weer en ik voelde me ‘s avonds net weer goed genoeg om te gaan badmintonnen. Een medespeler, die al een paar dagen voor mij was ziek geworden, zei in de app dat hij niet kwam omdat hij nog aan het herstellen was. Ik appte dat ik ook aan het herstellen was maar desondanks toch ging. Ik knipoogde erbij.
Ik heb het niet zo op die uitziekers. Rekkers zijn het. Ik had vroeger een collega, als die griep kreeg was je hem zeker twee weken kwijt. “Even goed uitzieken,” zei hij dan.
Ik had het zwaar met badminton. De volgende dag, vrijdag, voelde ik me zieker dan de dag ervoor, maar ik werkte na het eten nog twee uur door om een collega te helpen. Daarna keek ik nog even tv en ging naar bed, en raakte in gesprek met copilot over mijn grieperige toestand. Volgens copilot had ik niet moeten gaan badmintonnen omdat mijn lichaam energie had willen geven aan mijn immuunsysteem, maar dat ging nu niet omdat alle energie naar badminton ging. Dat klonk niet onlogisch en ik dacht aan mijn medespeler die zo slim was om niet te gaan. Ik had een zware, koude, klamme nacht, en ik moest er weer vroeg uit. ‘s Middags zou ik naar EPiC gaan, de nieuw Elvisfilm. Op paracetamol sleepte ik me erheen. Ik denk dat ik zelfs een minuutje geslapen heb tijdens de film, die overigens echt geweldig was.
Nu pas voel ik me wat beter. Ik moest voortaan toch maar iets voorzichtiger zijn met het veroordelen van uitziekers.