Milo

Waarom ben ik nu precies verdrietig, nu onze logeerhond Milo vanavond is ingeslapen? Hij was Randi’s beste vriend, ongeveer een jaar jonger en hij gaat ongeveer een jaar later dood.

We zijn nog even gaan kijken, hij lag op een matras en liet z’n plas lopen. Maar hij kwispelde wel, en ik knuffelde z’n dikke kop. De baasjes waren ontroostbaar en moesten met hem naar de dierenarts. Nu is hij ingeslapen en zie ik foto’s van hem en Randi voorbijkomen. Voel ik nu verdriet voor Milo, voor Randi, voor de baasjes, of omdat het het einde van een tijdperk is? Dat je ze op de foto’s ziet als jonge honden, wat Milo al jaren niet meer was (Randi bleef veel beweeglijker tot het laatst) en dat je je realiseert dat dat ook alweer acht jaar terug is en niet meer terugkomt?

Milo was te oud en te stram voor Lori, Lori was wel superblij als ze Milo zag, maar Milo strafte haar alleen af als het hem te gortig werd. Verder gedoogde hij haar. Generatiekloof.

We hadden juist gisteren afgesproken dat Milo hier nog een paar dagen zou komen met Oud en Nieuw, zoals elk jaar, maar dat hoeft nu niet meer. Milo was een echte goedzak, maar met het uiterlijk van een badass.

In memoriam

Ik kreeg een foto toegestuurd van een soldaat van het 45e pantserinfanteriebataljon, de compagnie waar Hans ook zit. De naam van de soldaat is leesbaar op zijn borst, hij imponeert met z’n baret en z’n uniform. Hij heeft de mooie kaaklijn van een jongeman in de kracht van zijn leven, zijn hoofd is licht naar links gedraaid, zijn ogen kijken opzij en slaan duidelijk iets gade. Wat, blijft onbekend. Zijn uitdrukking lijkt licht zorgelijk, de foto maakt indruk op mij. Misschien omdat hij op Hans lijkt.

Hans schrijft dat ze de jongen vandaag herdachten. Hij is drie jaar geleden overleden aan een hersentumor. Het begon met hoofdpijn die niet meer wegging.

Drie weken geleden overleed mijn neef, 61, ook aan een hersentumor. Ik heb hem voor het laatst gezien ergens midden jaren negentig, toen emigreerde hij naar Amerika. Ik heb vroeger bij hem gelogeerd, maar we hadden geen contact meer. Totdat hij me een halfjaar geleden op Facebook zocht. Hij was al ziek en het was duidelijk dat hij z’n familie zocht in de laatste fase van zijn leven. Hij begon een studie sterrenkunde, maar veranderde naar informatica. Daarna is hij geëmigreerd en heeft een goed leven opgebouwd. Maar zijn berichtjes zaten al vol taalfouten. Nederlands lukte al helemaal niet meer. Hij is snel na z’n overlijden gecremeerd en een paar dagen geleden was er een herdenkingsdienst. Zijn moeder (91) en broer konden niet bij hem zijn. Zo ga je dan uitermate triest dood. Natuurlijk had hij daar z’n geliefden, maar toch, een vreemd idee.

Ik had al twee keer eerder een poging gedaan om over hem te schrijven, want hij was een goede man. Zachtaardig en dankbaar, dat sprak uit zijn berichten en zo herinner ik me hem ook. En nu herdenk ik hem samen met de onbekende soldaat. Rust in vrede, alletwee.

De maan

Vroeger, toen Frankrijk nog ver was, gingen wij vaak op visite bij opa en oma. Zo één keer in de twee weken, eerst naar de ene opa en oma, en daarna naar de andere, waar meestal nog wel een oom en tante zaten. Dan reden we ‘s avonds in het donker terug, en mijn broertje, mijn zusje en ik sliepen dan achterin. Ik sliep tussen de achterbank en de voorstoelen in, op de ruwe mat, maar dat hinderde mij niet. Maar soms sliep ik niet en zag ik de maan. De maan bewoog met ons mee, soms stak hij zelfs de weg over want ik zag hem ineens aan de linkerkant, en hij baande zich een weg door de wolken. Mijn oma had mij een versje geleerd. “De maan is rond, de maan is rond, hij heeft twee ogen een neus en een mond.” En als je goed keek zag je z’n gezicht ook. Later ging ik ook de donkere kant van de maan zien. Tenminste, dat verbeelde ik me waarschijnlijk, maar ik zag de zwarte achterkant die niet verlicht werd.

Afgelopen dinsdag had ik een “Christmas event” op mijn werk, wat nog minder met kerst te maken had dan Carnaval met Staphorst. Na afloop reed ik naar huis en ik zag de maan. Hij vergezelde me tijdens de rit, ik zag hem zich ijverig een weg banen door de wolken en soms stak hij de snelweg over. Hij had nog steeds datzelfde gezicht. Ik dacht aan vroeger en aan vandaag, want de maan is niet veranderd en gaat dat ook niet doen. Hij is altijd met dezelfde kant naar ons gericht zodat we altijd z’n bekende gezicht zien. De maan is een mooie hangende bol in de lucht waar ik graag naar kijk. Hij staat hier maar één lichtseconde vandaan. Iedereen kan hem zien, gratis en voor niks. En als wij er niet meer zijn is de maan er nog steeds. Hij raakt wel lichtjes uit z’n koers en hij verwijdert zich van ons vandaan. Drie centimeter per jaar of zo, dus we kunnen voorlopig nog vooruit.

Uitvaart

Vandaag, op Tammar’s verjaardag, was de uitvaart van mijn schoonmoeder. Ik geloof dat het in 1985 voor het laatst was dat ik eerste rij zat. Linda en Hans hielden een toespraak, wat ik van beiden erg knap vind, maar vooral Hans kreeg veel lof over zich heen. Hij had zelf het initiatief genomen, niemand had hem gevraagd, maar hij verbaasde iedereen. Zijn oma zou zeker trots op hem zijn geweest.

Het was een eenvoudige uitvaart, veel bloemen en heel veel foto’s en muziek. De foto’s waren voor een groot deel te danken aan Linda’s vader, lang geleden gescheiden van mijn schoonmoeder, maar ze bleven elkaar op de verjaardagen van de kinderen zien. Linda’s vader fotografeert al zijn hele leven, met als gevolg dat er honderden of duizenden foto’s zijn. Linda’s moeder kende ik vanaf dat ze een jaar of vijftig was, en ik heb haar nooit in blakende gezondheid gezien. Maar op de foto’s van vroeger kwam ineens een ander beeld naar voren. Dat van een mooie jonge vrouw in gelukkige tijden. Er passeerden tientallen foto’s van Linda’s moeder, op vakantie of gewoon thuis, met haar kinderen of met de hond, afgewisseld met recentere foto’s waarop ze in een rolstoel zat, maar toch nog lachend.

Juist dat beeld van vroeger maakte het speciaal en emotioneel. Ik heb ook de hele jaren zeventig en tachtig meegemaakt, maar er zijn maar enkele foto’s om het te bewijzen. Ik heb denk ik geen enkele foto van mezelf van toen ik tussen de twintig en de vijfentwintig was, maar van mijn schoonmoeder zijn er duizend. Het creëerde een mooi beeld en met de muziek eronder was het indrukwekkend.

Ik zag de mensen langs de kist gaan om afscheid te nemen. Linda’s vader legde zijn hand op de kist, ook hij moet teruggedacht hebben aan de mooie tijden. Toen broers en de laatst levende zus afscheid namen kreeg ik het toch te kwaad. Die kenden haar al hun hele leven en ik stelde me voor hoe dat moest zijn. Maar mijn schoonvader, ik heb er twee, maar nu bedoel ik mijn schoonmoeders huidige man, moet alleen verder. In zo’n week van overlijden tot uitvaart ben je te druk en word je geleefd, maar als de uitvaart is geweest en iedereen gaat weer door begint de rouw pas echt. Ook voor Linda en haar zus, die blij zijn dat hun moeder uit haar lijden is, maar die toch ineens zonder moeder zijn.

Een proces van verwerking en slijtage dat je niet kunt overslaan, ontwijken of versnellen, dat heeft even tijd nodig. Ook ik voel de leegte die ze achterlaat.

Deze foto maakte geen onderdeel uit van de getoonde foto’s maar om een indruk te geven. Linda, haar oudere zus en haar moeder.

Een sterfgeval in de naaste familie.

Mijn schoonmoeder overleed woensdag niet plotseling maar wel onverwacht op 75-jarige leeftijd. Ze had in de loop der tijd een enorme hoeveelheid ziektes en mankementen verzameld en overal sloeg ze zich door, maar elke keer leverde ze in, met als gevolg dat ze het laatste jaar van haar leven aan de beademing zat en niet meer kon lopen. Zittend in haar stoel bracht ze haar dagen door, maar putte toch hoop uit elke dag dat ze niet teveel pijn had, als haar dochters op bezoek kwamen of als ze de kleinkinderen zag. Vijf jaar geleden, toen ze ook al veel mankeerde zei ze altijd: na deze tijd komt een betere.

De lijst met wat ze mankeerde is echt heel lang, maar ik hoorde haar er vrijwel nooit over klagen. Ik zou het lang, lang geleden al hebben opgegeven. Haar man, niet Linda’s biologische vader, maar wel de vader status hebbend, heeft tot het eind toe voor haar gezorgd. Ze moest afgelopen weekend naar het ziekenhuis omdat ze benauwd was, en omdat dat vaker gebeurt maakte niemand zich erg druk. En ze knapte ook weer op, de avond voor haar overlijden had Linda haar aan de telefoon, ze was vrolijk en mocht de volgende dag weer naar huis. Maar ‘s ochtends vroeg in haar slaap overleed ze. Linda zei achteraf dat ze haar gezicht tevreden vond en dat ze blij was dat ze op deze manier was gegaan. Geen pijn, geen benauwdheid, geen afscheid van het leven hoeven nemen, allemaal dingen waar ze bang voor was.

Ze leest dit naar alle waarschijnlijkheid niet, maar toch: rust zacht Tineke. Ik hoop dat je weer bij je vader bent.

Unhappy end.

We hadden de beste film aller tijden opgenomen en keken hem vanavond. Ik weet dat er rijtjes onder filmliefhebbers bestaan waarin Pulp Fiction en Shawshank Redemption de beste films zijn, maar ik heb mijn eigen criterium. En dat is hoe geboeid ik naar de film kijk. Toen hij uitkwam zag ik hem in de bioscoop en toen hij afgelopen was mocht hij van mij nog twee uur doorgaan. Net als in Shawshank Redemption wordt het verhaal verteld door Morgan Freeman. En net als in Shawshank Redemption speelt Morgan Freeman er zelf in mee. Maar waar Shawshank Redemption goed afloopt gaat het hier mis. Terwijl ik juist van een goede afloop hou. Ik haat het als het mis gaat.

De actrice die de hoofdrol speelt is een van mijn favorieten, maar ik weet haar naam niet eens. De acteur die de hoofdrol speelt is een van mijn favorieten, en was destijds 74. Hij speelde een norse oude man. Hij doet me denken aan Scrooge, waar ik elke kerst naar kijk. Alleen loopt Scrooge goed af, en hier gaat het mis.

Million Dollar Baby, daar heb ik het over. De oude norse bokstrainer die eerst van niks wil weten, valt toch voor de jonge vrouwelijke bokser en houdt van haar als z’n eigen dochter. Als het met haar verkeerd afloopt blijft de oude man (Clint Eastwood) gebroken achter en verdwijnt. En dat is wat me zo pakt in deze film. Eerst wil hij niks van haar weten, dan krijgen ze toch een band, en daarna sterft zij. Wat is er nog voor hem om voor te leven? Niks is er meer. Boksen is weg, zijn liefde is weg. En toch verhangt hij zich niet. Het einde van de film suggereert dat hij in een restaurant zit waar zijn leerlinge en hij eens de beste appeltaart van Amerika hadden gegeten. De kijker wordt achtergelaten met het idee dat deze norse, harde man verder leeft met een gebroken hart dat nooit meer heelt, de pijn verbijt en nog bitterder wordt. Je voelt de kwelling gewoon. Eigenlijk is het een kutfilm. Volgens mij had Clint hem nog zelf geregisseerd ook. Zelfkastijding. Hij had het ook gewoon goed kunnen laten aflopen. Dat ze haar laatste gevecht won. Net als in de Rocky films. Die waren toch ook een succes?

Goud

Ik heb de laatste 7 km van de marathon voor vrouwen gekeken op de Franse televisie. Sifan Hassan liep mee in de kopgroep van vijf. Twee Keniaanse, twee Ethiopische, en een Nederlandse. Dat was al wonderbaarlijk. De Franse commentator roemde de exceptionele prestatie van de Nederlandse hardloopsters, noemde Femke Bol, en wees erop dat wat Hassan hier deed ook uitzonderlijk was.

In de kopgroep bevond zich de wereldrecordhoudster met een tijd van 2 uur en zestien minuten. Dat gingen ze op dit zware parcours niet halen, maar een Olympisch record zat er nog in. Langs de kant fietsten en renden sommigen een stukje mee. Met bijna twintig km/u is dat al een prestatie.

De wereldrecordhoudster was de eerste die eraf moest. Ik voelde een spanning die ik vrijwel nooit meer voel. Vroeger, als Jos Verstappen racete, of als PSV nog één doelpunt nodig heeft, dan voel ik mijn hartslag, maar nu dus ook. Twee kilometer voor de finish moest de volgende afhaken waardoor er drie overbleven, waaronder Sifan in haar oranje outfit en haar lange oranje kousen. Waarom had ze lange kousen aan en de rest niet? Ze zette een aanval in, maar viel weer terug naar de derde plek. Op de laatste kilometer ging ze nummer twee voorbij, en een versnelling werd ingezet. Twee meter voor haar liep de Ethiopische koploopster. Een paar bochten nog, het ging nu voluit en waar ze dat vandaan halen na 42 km is me een raadsel. Sifan probeerde in de bocht voorbij te komen maar de Ethiopische blokte haar. In de volgende bocht deed Sifan een nieuwe aanval en weer probeerde de Ethiopische haar te blokken. Ditmaal raakten ze elkaar, als twee formule 1 wagens in een hevige strijd verwikkeld, maar ze bleven op de been. Sifan was er voorbij en moest nog 100 meter sprinten. Met drie seconden voorsprong won ze en ik dacht dat ze volledig in zou storten. Medische hulp nodig zou hebben. Er lagen wat deelneemsters op de grond maar ik zag Hassan niet. Wat een geweldige prestatie, goud op de marathon. Ik voelde de spanning in mijn lijf.

Even later werd ze voor de Franse televisie geïnterviewd, en ik maakte niet veel van het gesprek. Maar ze was rustig en lag niet naar adem te happen. Wat een superatleet, om hier te winnen van de topfavorieten. Sifan Hassan, een diepe buiging voor jou.

Bergopwaarts.

Ik begin me wat beter te voelen. Het donkerste is weg en komt hopelijk niet snel meer terug. En of het komt door de medicatie, door de huisarts of door de tijd die alle wonden heelt, is mij niet duidelijk. Wat zeker heeft geholpen is Linda’s steun. Ook al zag ik het niet meer zitten, zij gaf vertrouwen op het juiste moment, maakte ruzie op het juiste moment en bleef verstandig op het juiste moment. En ook mijn dochter die me aanvoelde hielp. Ze hielp met kleine dingetjes, keek met mij een film en bleef gekke bekken trekken naar me, zoals ze altijd al deed, zodat ik toch gedwongen werd om een glimlachje te laten zien. Mijn zoon was niet thuis, die is doordeweeks op de kazerne, bleef me appjes sturen over PSV, zoals hij altijd al deed. Routine is belangrijk in zo’n situatie.

Ikzelf ging door met bewegen, met de hond door de regen en badmintonnen omdat je dan geen tijd hebt om na te denken. Dan kon ik daarna wel door somberen. En er waren steunbetuigingen. Al doen ze op het eerste moment niks, je hebt ze toch gehad en kunnen langzaam op je inwerken. Zelfs de hond kwam op de moeilijkste momenten naar me toe en sprong op de bank om me te troosten.

De gedachten die ik had waren niet normaal, en zelfs de simpelste dingen kon ik niet meer overeenstemmen met mijn gevoel. Alles was een probleem en de situatie zou nooit verbeteren. En intussen werken je hersenen gewoon door en voel je je nog schuldig ook over je “welvaartsziekte”. Blijdschap was een vage herinnering en het was uit mij verdwenen. Ik had een crisis nodig, een oorlog, iets wat nog erger was zodat het de depressie zou verdrijven. En slaappillen. Ik heb ze pas twee keer gebruikt, maar wat is het fijn om een nacht door te slapen. Ik doe dat eigenlijk nooit meer. Ik kreeg er ook niet teveel, maar de dokter deed in het geheel niet moeilijk over een herhaalrecept, wat ik afsloeg , waarom weet ik niet, ik dacht omdat ik probeer te letten op mijn lichaam, maar ja, het was de huisarts, geen dealer, dus wat was het probleem? Dat is iets wat ik zelf maar half snap. Ik denk iets met mijn geweten en verantwoordelijkheidsgevoel. Ik laat me zelden gaan. Hoogstzelden. Praktisch nooit.

De aanval overnemen.

Een depressie ligt weer op de loer, klaar om aan te vallen. Ik voel hem al in mijn buik, daar neemt hij plaats en schakelt me van daaruit uit. Mijn hartslag wordt zwakker, en een glimlach kost grote inspanning. Het liefst wil ik in bed gaan liggen, in slaap vallen, weg zijn.

Maar hij heeft me nog niet helemaal. Ik had de hond uitgelaten en stond in de deuropening van de garage, te wachten op de kat die mee naar binnen komt na het rondje met de hond. Ik voelde dat de depressie mij niet wilde laten wachten totdat de kat tergend langzaam de deur bereikt had. Die wilde dat ik wegliep, doorliep weg van de plek. En ik voelde ook waar het vandaan kwam die plotselinge omslag. Het is het gevoel om nergens bij te horen, alleen achter gelaten, en geen richting meer weten. Alle wegen lopen dood, en in die wetenschap blijf je maar op het punt waar je bent. Het overlevingsinstinct neemt het over, je moet gaan liggen, geen energie meer verbruiken. Of is het juist het instinct van een gewond roofdier dat wegkruipt om te sterven?

Ik voelde direct een tijdlijn terug naar 1985, het rampjaar waarin ik ook alleen gelaten werd. Ik geloof niet dat eerdere depressies mij datzelfde lieten zien. Zouden ze dan toch daar vandaan komen? Zoals iedereen altijd zegt?

Mijn depressies zijn een gevecht tussen het deel van me dat het op wil geven en het deel dat door wil vechten. Daarom sta ik stil omdat ze elkaar tegenwerken. Het deel dat door wil is sterker. Altijd. Al gaat het pas zijn helende werk doen als de verwoesting al is ingezet.

Ze zijn er niet meer zo vaak, en ook deze keer ga ik winnen. Of ik, er staat hier iemand hard mijn overlevingsinstinct aan te moedigen. In haar armen kan ik schuilen. Niet te lang want ik moet eruit. We zijn een team, zij mag dan de dagelijkse leiding hebben, ik heb een belangrijke functie. Ik ben uitvoerder, toezichthouder en medebeleidbepaler.

Zoals ik vroeger op judo leerde, pak de arm die je aanvalt, draai weg, zet je heup erin en werp hem van je af. Doe je dat goed dan is de aanval afgeweerd. Ik hoop dat het gelukt is.

Overpeinzingen op een maandagmiddag.

Terwijl ik met nog slechts een lichte pijn in mijn been over de parkeerplaats van het ziekenhuis liep, maar veel anderen zag strompelen, veelal ouden van dagen, dacht ik aan mijn vader. Eigenlijk communiceerde ik met hem. Je mag dan wel vroeg dood zijn gegaan, maar deze ellende is je in elk geval bespaard gebleven. Wekelijks heb ik gesprekken met mijn moeder, die vreest wat kan komen in plaats van de winter van haar leven nog te gebruiken om nog even schijt te hebben aan alles.

Zelf ben ik aangekomen in de vroege meteorologische herfst, de zomer was mooi en lang, maar nu, begin september, is het ook nog zomers. Ik maak me om veel dingen druk, maar om ziekte van mezelf wat minder. Begrijp me niet verkeerd, ik ben dankbaar dat ik nog behoorlijk fit ben, of nog wel eens een compliment krijg van een vrouw. Maar slechter worden zal mij niet goed afgaan, schat ik zo in.

Er waren tijden dat ik mijn sterfelijkheid begon te beseffen en inzag dat ook ik het niet zou ontlopen. Ik had er nooit aan gedacht en als kind vertrouwde ik erop dat God voor mij een uitzondering zou maken. Maar toen sloeg de angst en de paniek toe, en die heeft jaren geduurd. En nu weet ik het niet. Nu denk ik dat een lang leven overschat wordt. Dat je de dood moet aanvaarden, misschien wel in dankbaarheid, omdat je de eindstreep hebt gehaald. Het gaat wel eens door mijn hoofd dat als ik ongeneeslijk ziek zou worden, ik in elk geval ook de voordelen zou zien. Dat de druk van het moeten presteren verdwijnt en dat je geen zorgen meer hoeft te hebben over een kernoorlog of over een vernederend leven als oudere die behandeld gaat worden als een kind.

En toch rook ik niet en beweeg ik veel want kennelijk wil ik gezond blijven. Maar waarom, als je leven zich toch in de eerste vijftig jaar afspeelt? Hebben Herman Brood of André Hazes niet een beter leven gehad? Wat zou dat laatste deel nog hebben toegevoegd?

Ik keek het interview met Dries van Agt en hing aan diens lippen. Dat wilde ik ook, een dergelijk charisma en zo’n scherp verstand. Ik las overlijdensberichten van een meisje bij Tammar op school, vorige week doodgereden, en ik voelde me zo leeg. Ik leek even de pijn te voelen van haar nabestaanden die intens verdrietig moeten zijn, en zich haast moeten afvragen of hun eigen leven nog verder moet. Een kind verliezen moet het ergste zijn.

De uitslag van de echo is er nog niet, maar degene die het onderzoek uitvoerde zag niks bijzonders. Ik stop dus gelijk met de bloedverdunners en ik begin weer met de hond uitlaten. Ook wonderbaarlijk hoe snel een spierscheuring geneest. Ik zeg het niet hardop hier, want dan krijg ik ruzie, maar volgende week sport ik weer. Ik reed naar huis, en maakte een kleine omweg langs de Havo waar ik vroeger op zat. Er zaten een paar leerlingen buiten op een bankje, ik dacht aan Astrid die bij me in de klas zat, 38 jaar geleden.

Ik reed naar huis en zag drommen naar huis fietsende scholieren. Wat me opviel was dat ze werkelijk allemaal een accu onder hun bagagedrager hadden. Daar waar Astrid en ik spierkracht moesten leveren om thuis te komen. Het laatste stuk was het ergst. Koud, nat en uitgehongerd kwam ik dan thuis. Nu ben ik 54 en gesterkt door mijn snelle herstel, zie ik de herfst zonnig tegemoet. Zoals Dries van Agt opmerkte: in het ergste geval is er niets.