Dit schreef ik een jaar geleden, maar plaatste het nooit. Waarom eigenlijk niet?
Mijn zoon, u kent hem wel, had ineens besloten dat hij er geen zin meer had in die oefeningen de hele dag. Hij zag er steeds meer tegenop, maar wat er nu precies aan scheelde werd me niet goed duidelijk. Hij miste de avonden thuis, zei hij. Ik herinnerde hem eraan dat als hij zijn rijbewijs zou halen dat alles anders zou zijn, maar ook dat weerhield hem niet. Hij houdt nogal van lang leve de lol, en ik vreesde dat hij zijn uitstekend betaalde baan ging opzeggen zodat hij carnaval kon vieren. Maar zo is het volgens hem niet. Ik haalde hem net op, want het ontslag werd direct in werking gezet en nu is hij een “Nukubu” en hij vond het toch wat dubbel. Hij had afscheid genomen van zijn collega’s die ook wat overrompeld waren door zijn snelle vertrek. Ik reed een rondje over de kazerne (ik was toegelaten) en ik moet zeggen dat ik er ook niet vrolijk van werd. Dat moet je wel liggen om daar je avonden door te brengen.
We reden naar huis en ik had een vreemd gevoel. Alsof ik zojuist afscheid had genomen van een tijdperk en m’n toekomst vergooide. (gevoel, ik zeg niet dat het zo is) Het heeft inclusief opleidingen een jaar of vier geduurd. Hij mocht zijn gevechtstenue en baret houden. En nu? Ja, dat weet ik niet. Hij heeft wel een idee. Maar aan de manier hoe hij praatte in de auto dacht ik toch weer: “Oh ja, hij is anders dan ik. Makkelijker. Hij redt zich wel. Met onze hulp.”
Eenmaal thuis gekomen ging na twee minuten de bel. Een bezorger. Een pakje voor Hans. Het was zijn nieuwe carnavalspak. Dat begon uitstekend. Ik herinnerde mij de gelijkenis van de verloren zoon. Ik zou nu een bok moeten slachten.