Herstellende

Mijn toestand is er een van rust, gelatenheid. Mijn gevoel lijkt weg, maar niet mijn humor. Nog steeds zie ik razendsnel een grap die ik kan maken, maar ik doe het niet. Ik voel geen vreugde, maar ook geen ellende of angst. In mij is een bom afgegaan en nu ben ik herstellende. Ik ben ver weg van waar het gebeurde en herstel nu rustig ergens in een blokhut ver van de bewoonde wereld. Het is vredig, en ik heb de wapens opgeborgen. Het innerlijke vuur is slechts een waakvlam.

Ik moest snel in een call, ik was het vergeten. Ik had nog een paar minuten. Ik typte op teams aan mijn collega, “ik haal snel koffie en ik moet nog naar de wc.” Ik wilde eigenlijk zeggen, “ik moet nog pissen,” want zo zeg je dat tegen je collega waar je dagelijks mee omgaat. Maar ik zei: “naar de wc”, want pissen zeg je alleen als je onverschrokken bent, als je je de baas voelt over de situatie. In mijn geval zou je zelfs van overmoedig kunnen spreken, want pissen past eigenlijk niet bij me.

Over een tijdje, dan ben ik weer terug, stresslevel weer naar het oude normaal, maak ik weer grapjes, en ben ik soms overmoedig. Maar welke van de twee ben ik nu echt? De normale die soms overmoedig wordt en pissen zegt, of degene die ik nu ben, die zich bewust is van het hellende vlak en zijn grapjes achterhoudt? Die laatste voelt ook wel goed. Maar die is tijdelijk. Die wil straks weer meer.

Knoop

Het is inmiddels november en ik zit in de put. Angstig, rusteloos, knoop in mijn maag, doodmoe. Toch is het dieptepunt al geweest. Dat hoop ik tenminste. Kon gelukkig terecht bij mijn eigen huisarts die even de tijd voor me nam. Ik denk dat hij precies de goede vragen stelde over hoe het nu komt dat op mijn 52e nog zo loop te klooien. In elk geval had hij vertrouwen in me, wat mij ook weer wat houvast gaf.

Omdat ik moe ben kan ik haast mijn bed niet uitkomen en om vijf uur stop ik ermee. Ik werk thuis omdat naar kantoor gaan nu te belastend is. Ik denk na over mijn ellende. Wat maakt nu dat veranderingen mij zo kunnen ontregelen? Waarom ben ik niet gewoon als mijn opa, werk je hele leven bij de PTT, en doe gewoon wat je moet doen zonder stress.

We keken samen oude afleveringen van Friends. De hele avond. Gordijnen dicht en ik moest lachen. Ik beet Linda toe dat ik wel lachte maar dat ze niet moet denken dat het al over was. Ze had niet anders verwacht. Door het lachen raakte ik de knoop in m’n maag tenminste even kwijt.

Goh, hoe zou het leven zijn zonder angsten? Moet toch een feest zijn als je zo overal op af stapt? Ik raakte aan de praat met een vrouwelijke collega. Het zijn vrijwel altijd vrouwen als ik aan de praat raak. Zij heeft mijn angsten niet. Toch vertelde ze me dat ze elke week bij een psychiater zat. Ik vroeg haar of ze me wilde proberen uit te leggen waarom. Dat deed ze. En ik dacht: goh, dat had ik nu nooit gedacht van haar. De wereld lijkt aan haar voeten te liggen en totaal in de knoop met haar gedachten. Ik stuurde haar ‘s avonds een lange mail. Ik bleek het goed begrepen te hebben. Ja, natuurlijk. Zo ben ik. Ik begrijp een ander precies. Kan alleen mijn eigen sores niet aan.

En zo heeft elk leven zijn eigen pijn. Soms zichtbaar, soms niet.

Geleefd

Ik heb nooit in een stad gewoond. Ik ben er geboren en woonde er als peuter, maar dat telt niet. Je moet er wonen als je 18 bent, dat je er een kamer hebt, studeert, in armoede leeft, maar tegelijkertijd een schat aan ervaringen opdoet. Dat je altijd kunt terugdenken aan die tijd, al woon je nu in een mooi vrijstaand huis, die intensiteit waarmee je daar toen leefde is met weinig te vergelijken.

Ik ben nooit op reis geweest. Een beetje binnen Europa op vakantie, en voor mijn werk wel eens naar een buitenlandse stad gevlogen, maar nooit rondgetrokken door andere landen, zoekend naar andere culturen, andere levenswijzen, talen die je niet verstaat. Dat je een schat aan ervaring opdoet en altijd terugdenkt aan die tijd.

Ik heb nooit tot een vriendengroep behoord. Tenminste niet tot een hechte, die nu nog bestaat. Dat je een schat aan mensenkennis opdoet en daar op terug kunt vallen. We zijn geen vrienden gebleven. Ze bleken niet betrouwbaar en ik denk ook weinig terug aan die tijd.

Dus heb ik wel geleefd, zou je je kunnen afvragen. Geleefd betekent hier of ik er alles uit heb gehaald wat erin zat. Nee, dat heb ik niet. Er zit dus nog wat in voor de toekomst als het goed is. Ik heb er geen spijt van omdat het nu eenmaal ging zoals het ging en ik allang blij ben met hoe het nu gaat. Als het vroeger net iets anders was gegaan had ik wellicht andere keuzes gemaakt. Als ik dood ga ben ik blij dat ik het allemaal overleefd heb.

Overigens, mijn lichtend voorbeeld hierin, mijn opa van mijn vaders kant, hij heeft nooit gestudeerd, had een baan voor het leven, ging naar Frankrijk op vakantie, dopte zijn eigen boontjes, en woonde altijd in de stad, dat wel. En had natuurlijk de oorlog meegemaakt. Hij is over de negentig geworden, leefde met zijn Rietje, waarschijnlijk de enige vrouw die hij beminde, en ik heb hem nooit ongelukkig gezien. Altijd vrolijk. Ik heb een kwart van zijn genen.

Het verhaal

Soms kom je tot inzichten waar je iets mee moet. In mijn geval, opschrijven, anders ben ik het zo weer kwijt. Ik kwam een beetje dichter bij de essentie van het leven. Denk ik. Want je leven is niet je werk. Werk is bijzaak. Waar het om gaat is het verhaal. Ik vertelde laatst mijn verhaal aan een oud klasgenoot en haar reactie deed me goed. Gewoon dat er eens iemand geïnteresseerd was in mijn verhaal, ook wel eens fijn. Als iemand naar mijn werk vraagt dan schaam ik mij. Ik schaam mij niet voor mijn werk, maar voor het feit dat ik dat standaard riedeltje af moet draaien, en het mij maar nooit lukt om die enthousiaste toonsoort eruit te krijgen. Terwijl als ik mijn verhaal vertel, ik niks hoef te acteren, ik hoef het niet mooier of lelijker te maken, het is gewoon een indrukwekkend verhaal.

Ik reed langs de winkels, sluitingstijd, een verkoopster was bezig de spullen binnen te zetten en ik realiseerde me dat zij waarschijnlijk ook een verhaal had. Dat de meeste mensen een verhaal hebben dat ze zelden vertellen. En dat verhaal is een miljoen keer interessanter dan wat voor werk ze doen, of wat ze op social media zetten. Echter kom je dat verhaal niet zomaar te weten. Daar zul je je best voor moeten doen. Het zou natuurlijk raar zijn als ik was gestopt en de verkoopster had gevraagd naar haar verhaal, dan had ze wellicht de politie gebeld. Maar als iemand je zijn of haar verhaal vertelt, dan is dat denk ik de essentie van het leven.

1985

Mijn moeder had gisteren haar eerste controle na haar ziekte en daarmee was het in orde. Niet dat ze blij is, wel opgelucht, maar blij zijn is een stap te ver. De oncoloog, voor wie ze diep respect heeft, had het vooral over haar geestelijke toestand gehad. Dat ze dingen moest gaan ondernemen om blijer te worden.

Ik ging vandaag even bij haar langs om het erover te hebben. Al snel kwam het gesprek op mijn vader. Op die ene dag in februari, waarop hij overleed. En daarbij noemde ze een detail dat ik nog niet kende en dat mij ook weer vochtige ogen bezorgde. De man was pas veertig en het was de dag waarop hij gepland zou sterven. De zuster kwam langs en vroeg wat hij wilde eten. “Ik hoef niet meer te eten want ik ga zo weg,” had hij gezegd. En mijn moeder had in haar wanhoop gevraagd of hij niet mee naar huis wilde, omdat hij er die dag wat beter uitzag en kleur op z’n wangen had. Maar toen hij moest plassen was zijn urine bruin, er was gewoon niks meer aan te doen.

En later die dag moest ze ons gaan vertellen dat papa dood was. Het kwam ook zo makkelijk uit haar geheugen dat ik even dacht: geen wonder dat je niet blij bent. Maar dat antwoord van mijn vader op die vraag van de zuster stemt mij droef. Was dat nu bescheidenheid tot op het laatst, wilde hij geen eten meer verspillen omdat hij toch “weg” ging, of had hij geen honger en wist hij dat hij dat ook nooit meer zou krijgen? Ik hoop toch zo dat laatste. Hem kennende was het het laatste. Maar zoals mijn moeder het zei klonk het als het eerste. Hoe dan ook, het is een hele trieste geschiedenis die ons gebeurd is in 1985. Ik voelde zojuist tranen vloeien. Ik wist dat die nog zouden komen na die vochtige ogen van vanmiddag.

25 jaar na Jetske’s afkondiging

Ik pakte bij wijze van uitzondering een willekeurig cassettebandje en deed dat in de speler. Het was een goede greep want er stond fantastische muziek op. Dit moet ik opgenomen hebben van radio 2, 1996, dat leidde ik af uit mijn geheugen. Gladys Knight & The Pips, Mocedades, France Gall, Herb Alpert, Beatles, Drifters, The Moody Blues, een tikkeltje melancholiek. Nou was dat niet zo vreemd, ik had een enorme hang naar lang geleden destijds, eigenlijk naar de tijd dat mijn vader er nog was. Vooral op een doordeweekse dag als ik thuis was, had de muziek zijn effect. Ik was toen anderhalve maand thuis omdat ik nog geen nieuwe baan had, en ik weet nog dat ik toen een triest gevoel kreeg van overdag thuis zijn. Ik was tenslotte alleen ’s ochtends en ’s avonds thuis, dus dat overdag thuis zijn paste niet in mijn wereld en klopte niet.

Als het donker was ging dat over. Dan klopte het allemaal weer in mijn hoofd. Dan was het allemaal niet zo erg meer. Dan was het eigenlijk weer goed. Ik daar op dat flatje met mijn muziek, mijn tijdschriften, mijn studie en mijn videobanden. Als ik in de auto zat luisterde ik vaak naar Jetske van Staa. Zij was zo goed op de radio vond ik. Helaas mocht ze maar heel kort onder ons zijn. Op haar 34e overleed ze.

Nu hoorde ik haar net op het bandje een plaat afkondigen. Dat vond ik de charme van de cassettebandjes, dat de platen in een vaste volgorde voorbij kwamen en dat zich in je hoofd geheugencellen vulden met die specifieke volgorde, of met een stukje van de aan-of afkondiging van de presentator of DJ. Ik herkende Jetske’s stem helemaal niet meer. Ik wist wel dat ze het was. Haar stem was lager dan ik me herinnerde. Ze kondigde Georgie Girl van The Seekers uit 1966 af in haar programma Van Staa tot zeven. Ze praat verder over het Atlanta spel, en ze heeft het over de Duitse dressuurrijdster Nicole Uphoff en haar paard Rembrand. Het moet dus inderdaad 1996 zijn, toen waren de Olympische Spelen in Atlanta. Wat klinkt ze anders dan ik in mijn hoofd had. Ingetogen, triest bijna. Alsof ze al wist wat haar te wachten stond.

Portemonnee aan een touwtje.

Van de zomer kwam ze naar me toe met haar treurige verhaal dat haar vriend en vader van haar kinderen het had uitgemaakt. Daar stond ze dan, ze had al twee keer ternauwernood een ontslagronde overleefd, en nu dit. Haar roots liggen in Berlijn, waar ze nog steeds een huis heeft, al is dat meer van de familie, maar waar ze nog vaak even heen gaat om haar moeder te bezoeken en om vrienden te ontmoeten.

Later vertelde ze dat haar man haar al een paar keer had bedrogen, maar dat ze toch bij hem was gebleven. En nu was ze alsnog aan de kant gezet. Ze overweegt om terug te gaan naar Berlijn, en om haar kinderen mee te nemen. Ze heeft de beslissing eigenlijk al genomen, maar ze heeft het haar dochtertjes nog niet verteld. Ik zeg haar steeds dat ze dat snel moet doen, maar ze stelt het maar uit.

Een paar maanden terug kreeg haar man Corona en moest in quarantaine in een vakantiehuisje. Zij bracht hem eten en hij zat alleen en was dankbaar. Zo dankbaar dat hij haar weer hoop bood. Ik legde haar uit dat dat niet klopte, dat dat geen goede uitgangspositie was. Ze begreep het.

Wat later trok zij met haar dochters uit het huis naar een nieuw huis, in de buurt van het oude. Twee weken daarna kwam de vrouw met wie hij destijds was vreemd gegaan bij hem inwonen. Ze zei dat het haar pijn deed, en dat ze het liefst naar Berlijn zou vertrekken om maar niet steeds geconfronteerd te worden met haar ex en zijn nieuwe liefde.

Vandaag had ze de telefonische hulp van haar ex nodig en ze vertelde me dat ze het moeilijk vond. Dat als hij haar terug wilde ze terug zou gaan. Ik heb haar de waarheid verteld. Dat dat helemaal nergens op sloeg. Ze zei dat ze er niks aan kon doen, dat was haar hart. Ik zei dat ze dan maar haar hoofd moest gebruiken maar dat ze niet ging terugvallen in een emotionele, labiele en afhankelijke toestand voor haar man, die zich gedraagt als een lul. En dat ik al helemaal niet wilde horen dat hij de liefde van haar leven was en dat ze nooit meer gelukkig bij een ander zou worden. Ik werd boos op haar. Vrouwen, ze kunnen soms zo ontzettend tegen beter weten in, ronduit stom doen. Alsof er een portemonnee op straat ligt met een touwtje eraan. Nu is ze weer in Berlijn waar ze hopelijk tot die grijze brij laat doordringen wat ik heb gezegd. Want ik heb gelijk.

Verlaat eerbetoon

Ik werd daarnet kortstondig overvallen door een droeve moedeloosheid. We luisterden naar een spotifylijst en er kwam een leuk hitje uit de jaren tachtig voorbij. Windforce 11, van Nadieh. Ik zocht haar even snel na omdat dat nu eenmaal kan tegenwoordig, maar tot mijn schrik was Karin Meis, zo heette ze, al overleden in 1996. Dat was volledig langs mij heen gegaan. En omdat het volledig langs mij was heen gegaan concludeerde mijn hersenen alvast dat het dan ook langs u was heen gegaan en dat ze in volledige eenzaamheid en anonimiteit was gestorven op haar zevenendertigste. Wat vast niet het geval was toen ik er iets langer over nadacht.

Zevenendertig, al 24 jaar dood, ze heeft niet eens de aanslag op 11 september meegemaakt. De ramp met de Koersk niet, niet vlucht MH-17. Ze kende Coldplay niet eens, laat staan Beyonce. Obama, Trump, Golfoorlog, ze heeft geen idee. Corona kent ze niet, internet waarschijnlijk niet eens. De wereld heeft sinds haar dood geen seconde trager om haar as gedraaid. Ik heb in elk geval niet om haar gerouwd, simpelweg omdat ik het niet wist. En dat stemde me treurig. Maar was ik treurig om haar dood, of om het feit dat dat kennelijk kon gebeuren zonder dat ik het wist, of om het feit dat de wereld gewoon door draaide al die tijd? Of misschien omdat ik voelde dat het ons allemaal gaat gebeuren, dat we sterven en dat de belangrijkste gebeurtenissen ons dan niet meer bereiken?

Het is belangrijk te rouwen, net als het eren van de doden. Is het niet voor de doden, dan wel voor degenen die ze achterlieten. Met haar hit riep ze me op om haar op te zoeken zodat ik alsnog het rouwproces, hoe kortstondig ook, in werking kon zetten. Rust zacht verder, Nadieh.

De schade van de tijd.

Of het nu komt door de muziek of door de beelden, maar ik voelde mij weemoedig toen ik een filmpje tegenkwam over de “roeivijver” in Drunen, de plek waar ik woonde in mijn jeugd. Het was overigens niet dit filmpje, maar een protestlied tegen de verbouwing van de roeivijver tot pretpark. Het was nu zo’n typische plek, waar je ’s winters schaatste en ’s zomers kon zwemmen. Er stonden houten klimtorens waar ik niet meer uit durfde toen ik heel klein was. Mijn opa heeft me daar nog jarenlang mee gepest. Ik zie nog het beeld van mijn vader, gaande over het ijs op Friese doorlopers. Hij had een specifieke blik in zijn ogen die ik me goed herinner.

Toen kwam ik terecht op de plek waar ik vroeger woonde, de Beukstraat. Wij woonden in het laatste huis, aan “het rondje”. Zo noemde wij het doodlopende pleintje voor ons huis. Als wij ’s avonds nog buiten mochten spelen dan mochten we vaak alleen in het rondje. Tot mijn ontzetting is het doodlopende rondje er niet meer. Het is nu een doorgaande straat geworden, en tegenover ons huis, waar een groot voetbalveld lag, en waar later een school kwam, is nu een nieuwe straat gemaakt. De Beukenhof, dat verzin je toch niet? Ons rondje is weg.

Kwam er nog een filmpje achteraan over de huidige toestand van de Lips fabriek (de reden waarom ik überhaupt in Drunen terecht kwam) maar die stond er ook niet al te florissant bij. Ooit prijkte er een trotse schoorsteen en stonden er honderden auto’s op het terrein. De enorme, roestkleurige scheepschroeven lagen aan de zijkant te wachten op transport. En nu was het een trieste aanblik van een lege fabriek. Wat Philips was voor Eindhoven, was Lips voor Drunen. En dan heeft de fabriek nog lang gestaan. De ijzergieterij in Vaassen, waar mijn vader later ging werken is er helemaal niet meer. Alleen de wijknaam en de straatnamen daar zijn de stille getuigen van die bloeiende, vroegere jaren. Afbramerij, Vormerij, Gieterij… Ik meen zelfs te weten welke praatjesmaker er nu in het huis woont op de plek waar mijn vaders kantoor was.

Het voelt altijd heel leeg om een plek te bezoeken waar je fijne herinneringen aan hebt. De plekken worden steeds onherkenbaarder. De nieuwe bewoners doen maar wat. Hebben geen enkel benul van wat zich er vroeger in hun huis afspeelde. Ons oude huis ziet er raar uit. Een dakkapel en een houten schutting. En geen rondje meer. De schade die de tijd aanricht…

Het valt wel mee.

Ineens doe ik op mijn vijftigste mee aan de training voor de badmintoncompetitie. Per ongeluk haakte ik drie weken geleden aan, en nu kennen ze me al. Ik ben wel de enige die geen competitie speelt want daar heb ik geen zin in. Te druk met sport kijken op zondag. Maar hier ga ik ouderwets kapot. Mijn conditie is goed, maar je moet ineens zoveel dingen anders doen, dat trekken mijn hersenen niet. Als ik net het eerste snap, moet ik weer op het volgende letten en vervolgens hou ik ook mijn racket niet goed vast. Als je dat allemaal tegelijk goed probeert te doen dan ziet dat er heel raar uit.

De trainer is een pro. Die hoort of je goed slaat, hij hoeft het niet eens te zien. Hij doet alles voor, elke stap, elke draai, elke slag. Hij ziet alles wat niet goed gaat. Als hij in de buurt komt gaat het nog minder goed. En dan die warming-up! De meest onmogelijke bewegingen. Buikspieroefeningen, zo snel dat je geen adem kunt halen, bij elkaar 100 keer.

Even volhouden, dan zal het wel beter gaan. Volgende week word ik 51, en al heb ik veel rugproblemen gekend, dat is het eigenlijk wel. Ik ben een kilo of 8 te zwaar maar voor de rest doet mijn lichaam het nog heel behoorlijk. Geen blessures gelukkig. Ik verbaas me er nog wel eens over, maar je hebt het deels ook zelf in de hand, de mate waarin je aftakelt. Goed, op je 50e hoor je niet meer alle hoge tonen, je hebt een leesbril nodig, je wordt grijs, je krijgt een wat zwakkere plasstraal en de seks speelt zich steeds meer in je hoofd af dan in het echt, maar er zijn momenten dat je even niet in de gaten hebt dat je geen 25 meer bent. Ik wil maar zeggen: het valt allemaal wel mee.