Desire

Ik heb onlangs een nieuwe tweedehands fiets gekocht, volgens mij had ik dat nog niet gemeld. Mijn vorige fiets was uit de vorige eeuw en piepte en kraakte. Vooral als ik stilstond om een hert op de foto te zetten, dan was de geringste voorwaartse of achterwaartse beweging genoeg voor een luid gekraak. Als ik fietste was hij eigenlijk stil, ook op onverhard. Maar er zat een slinger in het wiel, de remmen deden het nauwelijks en hij had nog zo’n ouderwetse dynamo, waarmee je in combinatie met die slinger in het wiel veel aandacht trok.

Nu heb ik een modelletje met naafdynamo en 8 versnellingen. Zo blij als een kind. Zaterdag een kilometer of dertig, zondagavond over steile heuvels, en ik gebruik hem nu ook om naar mijn moeder te fietsen, waar ik dat eerder liever met de auto deed. Gisteren, niet zo heel diep in de nacht, fietste ik terug. Niemand op straat, de meeste huiskamers al donker en ik trapte op mijn gemak terug naar huis. De lucht lijkt schoner, het was fris maar niet koud en Venus stond in het noordwesten op mij te schijnen. Ze is momenteel de helderste ‘ster’ aan de hemel, je moet echt een keer kijken, want ze is niet altijd te zien. Het is mooi als een planeet je vergezelt op je reis. Ik zong zachtjes en in trager tempo dan het hoort flarden van het liedje van Shocking Blue. Ik kende niet de hele tekst, maar net genoeg om mezelf bezig te houden. Ik was zo thuis, maar van mij had het nog wat langer mogen duren. I’m your Venus, I’m your fire, at your desire.

Vandaag, de 21e

Vandaag, de 21e, is het 35 jaar geleden dat mijn vader overleed. 75 zou hij anders zijn. 35 jaar is waarachtig een hele tijd. Het is langer dan de langste gevangenisstraf en het wordt voor mij levenslang. Ik kan wel zeggen dat het de meest traumatische gebeurtenis in mijn leven is geweest, mede doordat er geen begeleiding was en iedereen kennelijk dacht dat dit soort dingen vanzelf, met de tijd weer goedkomt. Nou, dat dacht ik toch niet. Als zoiets op zo’n leeftijd gebeurt en je moet door zonder dat je behandeld wordt, komt dat verstopte trauma aan alle kanten naar buiten. Als je het ene lek plakt, komt er op de andere plek een scheur. Het trauma laat zich niet wegstoppen, het wil aandacht.

Met levenslang bedoel ik dat ik het nooit meer zal vergeten en dat hij de belangrijkste man in mijn leven blijft. Het ergste leed is door mij geleden, en uiteindelijk is het goedgekomen. Ik ben niet ongeschonden, dat zeker niet, wat er gebeurd is heeft mij gevormd en heeft mij geleerd. Alles wat ik denk en voel is mede bepaald door deze dag, 35 jaar geleden.

Voor hem is het al lang voorbij. Voor hem moet de aanloop ernaartoe nog erger zijn geweest. Het besef je gezin achter te moeten laten, hij moet daar ook een trauma hebben opgelopen. Ik woon nu vlak bij het huis waar het zich allemaal afspeelde. Soms loop ik er langs met de hond. Vijftig en toch nog kind ben ik. En toch ben ik niet zielig. Integendeel. Ik ben blij en trots dat hij mijn vader was, en dat ik ook zijn kanten ken waar hij moeite mee had. Ik had toen geen idee, maar nu, nu ik ouder ben dan hij, snap ik ze. En omdat ik ze snap, doe ik die dingen anders. Voorzover ik dat sturen kan natuurlijk. Sommige dingen overkomen je. Soms zie je je zelfs aankomen en soms laat je ze maar gebeuren.

Zoete herinneringen

De laatste tijd lees ik in bed mijn eigen weblog archieven. Omdat ik het zelf heb geschreven leest het erg makkelijk. Ik ben begonnen in 2004, maar toen leek het nog nergens op. Domme verhaaltjes van een verlate puber. Maar een paar jaar later begint er vorm in te komen. Ik heb nu 2010 gelezen en ben in 2011 aanbeland. Het waren de laatste hoogtijdagen van weblog want je zag veel bloggers al verdwijnen naar Twitter en Facebook. Maar wat ik mij nooit heb gerealiseerd is hoe waardevol die archieven zijn. Ik kan me vrijwel elk logje wel herinneren als ik het weer lees, maar dat neemt niet weg dat ik het compleet vergeten was.

Die eerste jaren met mijn kinderen bijvoorbeeld. Er staat beschreven hoe Hans vroeger praatte. Hij noemde me nog geen Jack, maar papa. En hoe ontroerend zijn avonturen zijn. Zoals die keer dat het hem maar niet lukte om op vakantie een speelkameraadje te vinden. Op mijn instructies struinde hij de camping af, maar de kindjes die hij aansprak wilde dan niet met hem spelen omdat ze hem niet verstonden of omdat ze al met elkaar aan het spelen waren. En dat ik hem toen ’s avonds maar meenam naar het voetbalveldje om te kijken, en waar een oudere jongen met een PSV-shirt (Hans kende PSV nog niet) vroeg of Hans mee wilde voetballen. En dat hij zei: “dat mag niet van mijn papa” (ik vond hem te klein en de jongens schoten te hard) maar dat hij ondertussen zijn voetbalshirtje was gaan halen en op blote voeten mee mocht doen, en de PSV jongen hem een aantal keer liet scoren….Wat een kindergeluk!

En Tammar, ik las haar altijd voor uit een boek waar plaatjes van etenswaren in stonden, en dat ik dat zogenaamd wilde opeten, maar dat ze die dan snel voor mijn neus weggriste. Schateren. En dat ik dan nog een liedje voor haar zong als ze al in haar trappelzak in haar bedje lag te luisteren met haar duimpje in haar mondje. En dat ik het liedje: zachtjes gaan de paardevoetjes zong, en dan soms een woord weg liet zodat ze het kon invullen. “Het is het paard van….” En dan fluisterde ze: Sinterklaasje….

Ik zag het ineens weer voor me allemaal. Het is zo hard gegaan, maar ik was er bij om de herinneringen vast te leggen. Is dat niet waar schrijven voor bedoeld was?

De baas der bazen

Ik kom tijd te kort de laatste tijd. Voor mijn gevoel moet ik nog zoveel doen in huis, dat twee dagen weekend veel te weinig is. Het is niet alleen dingen doen, het is ook rust nemen dat erbij inschiet. Dus val ik ’s avonds in slaap op de bank. Oudejaarsavond? Om één uur zat ik bij de visite op de bank te slapen.

Mijn baas had gezegd om het kalm aan te doen deze week. Volgende week moeten we er weer zijn. Afgelopen donderdag heb ik het programma waarmee ik werk vier keer opgestart, en vier keer heeft het zichzelf weer afgesloten wegens inactiviteit. Gisteren werkte ik thuis, maar ondertussen deed ik mijn privé administratie. Geen enkel probleem, we hebben genoeg gewerkt het afgelopen jaar. 2020 begint volgende week wat haar betreft en ik ben het daarmee eens.

Maar dan komt in mijn droom mijn eerste werkgever langs. Een oude registeraccountant aan wie ik veel te danken heb. Hij was niet boos, want dat werd hij nooit, hij was ook niet teleurgesteld, het was nog erger. Hij kon je op je plek zetten en je laten voelen dat je zojuist zwaar je taak verzuimd had. Dat je een nietsnut was waarmee je de oorlog niet kon winnen. En zonder dat hij dat benoemde, wist je dat hij dat bedoelde. En precies hij kwam langs in mijn droom om me duidelijk te maken dat wat ik de afgelopen twee dagen had gedaan, niet kon. In de hiërarchie staat hij ver boven mijn huidige baas, en ik weet niet eens zeker of hij nog wel leeft. Als hij nog leeft is hij nu ongeveer 90. Hij leerde mij na te denken over wat ik deed. Hij leerde mij op te houden met zomaar iets te doen.

Nu moet ik volgende week dus weer aan het werk van hem. Nauwkeurig, efficient en resultaatgericht. Op zo’n manier dat mijn huidige baas ook tevreden kan zijn. Weekenden en vrije dagen komen er nog genoeg.

Don’t give up

Ik hoorde “don’t give up” van Peter Gabriel en Kate Bush. Mijn gedachten suisden in een seconde terug naar 1986, toen het een hit was. Mijn vader was dat jaar ervoor overleden, en ik had het lastig. Ik was onzeker en angstig maar moest die gevoelens onderdrukken en mee met de opgroeiende meute. Ik klampte mij vast aan elk baken dat ik had en één daarvan was “don’t give up”. Op de zolderkamer waar ik huisde had ik warmte, een bureau en een stereo, en het enige raam bood uitzicht op onze bosrijke achtertuin, ver van de school en de stad. Als de volgende dag nog ver was, was ik veilig. Dj’s vertelden me met hun populaire radiostemmen dat het nummer over werkloosheid ging, maar zoals Kate Bush me toezong, had ik eerder het idee dat het aan mij persoonlijk gericht was. De negativiteit verdween voor even en mijn kamer werd met geluk gevuld.

Vandaag was ik weer even op die zolderkamer. In ons nieuwe huis, dat identiek is aan en vlak bij ons vroegere huis staat. Hier keek ik ook uit op een bosrijke tuin, vogels en een eekhoorn waren er druk in de weer. Zelfs in de herfst is het er mooi. Doordat de begroeiing nu wat dunner was, keek ik op de straat waar vroeger altijd een Renault 4 stond, en waarvan de eigenaar er altijd aan lag te sleutelen. Ik praatte vaak met hem over de auto, ter hoogte van waar nu mijn achtertuin aan grenst. Dat zou ik toch ook nooit gedacht hebben vroeger. De zolderkamer wordt niet voor mij, die wordt voor Hans. Maar ik zal er wel eens uit het raam staan te kijken, schat ik zo in. Opgeven was gelukkig nooit een optie.

Ballast

Nadat ik Michel Boerebach had gezien in DWDD, werd ik weer even terug op aarde gezet. Al mijn boosheid verdween als sneeuw voor de zon door zijn diep trieste verhaal dat ik niet eens kende. Ik schaamde mij een beetje voor mijn eigen sores en sprak dat ook uit op dat moment. Zelfs Hugo Borst, die ik normaal een arrogante lul vind, was ineens sympathiek doordat hij Boerebach had geholpen om verder te leven.

Het is niet dat mijn ogen ineens opengingen, zo gaat het namelijk altijd. Het gaat goed, en hoe langer het goed gaat, hoe dichterbij het moment komt dat het niet meer goed gaat, omdat je kennelijk niet meer in de gaten hebt wat er allemaal aan negatieve ballast aan je blijft plakken in je rush door het bestaan. Die ballast wordt steeds groter en zwaarder, als bij een tractor in trekkertrek. Wijze mensen nemen misschien af en toe een pauze om een last van zich af te werpen en om zich zo weer makkelijker voort te kunnen bewegen. Ik loop vast in de grond. En dan komt er altijd iemand, nu is het Boerebach, die ellende moest meemaken die je niemand gunt, en waarvan je je afvraagt waarom in hemelsnaam. Dat nemen van een pauze, dat is nog best lastig als je je niet moe voelt. Ik vrees dat ik in mijn team degene ben van wie het het langst geleden is dat hij een vrije dag heeft opgenomen.

Ik leer het ook niet. Ik ben even een week van de kaart, ik schud alle ballast van me af, en ik kan weer verder. Totdat ik me weer tegen die steen stoot, die heel in de verte al ligt te wachten. Over een poosje kan ik hem al zien, maar ik zal hem dan niet herkennen als dezelfde steen. Ik klap er zo weer bovenop. Het zou mooi zijn als ik dan zelf opkrabbel in plaats van dat ik daar iemands ellende voor nodig heb. Dan leer ik tenminste.

Luuk de Jong

2014-2015 was het eerste seizoen dat Hans en ik samen de wedstrijden van PSV volgden. Het was zijn eerste jaar als PSV-er en ik had hem beloofd dat PSV dat jaar kampioen zou worden. Dat was niet heel erg riskant want Depay was erbij. Maar ook Luuk de Jong. Halverwege lag PSV al op kampioenskoers met een maximale voorsprong van 17 punten op de nummer twee. Depay werd topscorer, Luuk werd de nummer twee.

Luuk groeide uit tot een vaste en belangrijke waarde binnen PSV, en waarschijnlijk was hij de speler met de grootste inzet. Hij had er een moeilijk seizoen tussen, waarin het eerder regel was dat hij miste dan dat hij scoorde. Echter, door zijn inzet kwamen anderen aan scoren toe dus liet de trainer hem staan, ondanks zijn slechte seizoen. Slechts één of twee keer moest hij op de bank beginnen. En toen hij na vele wedstrijden droog staan weer eens scoorde, veerde het hele stadion op.

Afgelopen jaar werd hij topscorer, ik noemde dit gisteren ergens op een feestje omdat hij een buitenlandse transfer kon maken. Ik merkte dat ik nog steeds niet van mijn Ajax trauma af ben doordat een Ajacied gelijk het woord “gedeeld” liet vallen en doelpunt van Luuk uiterst dubieus noemde, volgens hem was het niet door Luuk was gemaakt. Ik voelde gelijk de haat weer opkomen, ik vrees dat het nooit meer goedkomt met mijn gevoelens jegens deze successupporters. Desondanks hield ik mijn mond.

Nu gaat Luuk weg. Naar Sevilla. Voor het luttele bedrag van 15 miljoen. Geen wereldbedrag, geen wereldclub, maar Luuk is dan ook een beperkte speler die al 28 is. Zijn kopballen, zijn inzet en zijn kaatsen zijn zijn sterkste wapens. Het doet mij pijn, de aanvoerder te zien vertrekken. Deze man die ik jarenlang na elke wedstrijd geïnterviewd zag worden, en die vaak het boetekleed over de ploeg spreidde. Een verliespartij deed net iets minder pijn als Luuk achteraf vertelde wat er aan schortte.

Nu moeten Hans en ik PSV volgen zonder Luuk. Hans staat nog met hem op een mislukte foto, mijn schuld, ik durfde door de rij wachtenden niet te zeggen dat de foto te donker was, maar Hans heeft zijn PSV shirt met zijn naam en rugnummer nog. Het zal inmiddels te klein zijn, maar hij zal het bewaren. Luuk is voor ons de eerste vertrekkende PSV-er die ons achterlaat met pijn in onze harten. Bedankt voor de mooie seizoenen en voor het sleeptouw als het minder ging.