Luuk de Jong

2014-2015 was het eerste seizoen dat Hans en ik samen de wedstrijden van PSV volgden. Het was zijn eerste jaar als PSV-er en ik had hem beloofd dat PSV dat jaar kampioen zou worden. Dat was niet heel erg riskant want Depay was erbij. Maar ook Luuk de Jong. Halverwege lag PSV al op kampioenskoers met een maximale voorsprong van 17 punten op de nummer twee. Depay werd topscorer, Luuk werd de nummer twee.

Luuk groeide uit tot een vaste en belangrijke waarde binnen PSV, en waarschijnlijk was hij de speler met de grootste inzet. Hij had er een moeilijk seizoen tussen, waarin het eerder regel was dat hij miste dan dat hij scoorde. Echter, door zijn inzet kwamen anderen aan scoren toe dus liet de trainer hem staan, ondanks zijn slechte seizoen. Slechts één of twee keer moest hij op de bank beginnen. En toen hij na vele wedstrijden droog staan weer eens scoorde, veerde het hele stadion op.

Afgelopen jaar werd hij topscorer, ik noemde dit gisteren ergens op een feestje omdat hij een buitenlandse transfer kon maken. Ik merkte dat ik nog steeds niet van mijn Ajax trauma af ben doordat een Ajacied gelijk het woord “gedeeld” liet vallen en doelpunt van Luuk uiterst dubieus noemde, volgens hem was het niet door Luuk was gemaakt. Ik voelde gelijk de haat weer opkomen, ik vrees dat het nooit meer goedkomt met mijn gevoelens jegens deze successupporters. Desondanks hield ik mijn mond.

Nu gaat Luuk weg. Naar Sevilla. Voor het luttele bedrag van 15 miljoen. Geen wereldbedrag, geen wereldclub, maar Luuk is dan ook een beperkte speler die al 28 is. Zijn kopballen, zijn inzet en zijn kaatsen zijn zijn sterkste wapens. Het doet mij pijn, de aanvoerder te zien vertrekken. Deze man die ik jarenlang na elke wedstrijd geïnterviewd zag worden, en die vaak het boetekleed over de ploeg spreidde. Een verliespartij deed net iets minder pijn als Luuk achteraf vertelde wat er aan schortte.

Nu moeten Hans en ik PSV volgen zonder Luuk. Hans staat nog met hem op een mislukte foto, mijn schuld, ik durfde door de rij wachtenden niet te zeggen dat de foto te donker was, maar Hans heeft zijn PSV shirt met zijn naam en rugnummer nog. Het zal inmiddels te klein zijn, maar hij zal het bewaren. Luuk is voor ons de eerste vertrekkende PSV-er die ons achterlaat met pijn in onze harten. Bedankt voor de mooie seizoenen en voor het sleeptouw als het minder ging.

We’re gonna move (to a better home)

Het huis wat we hebben gekocht -ik moet daar nog even aan wennen, ik heb alleen een bod gedaan wat geaccepteerd is- staat in dezelfde wijk waar ik opgroeide. Dat wil zeggen, vanaf mijn dertiende, het tweede deel van mijn leven. Ik woonde er tot mijn 24e. Het huis is precies eender aan het huis waar wij woonden, dus ik wist hoe het er van binnen uitzag. Het enige verschil is dat je linker- en rechterhuizen had, en we gaan nu naar een rechter, wat gespiegeld is.

In die wijk ken ik alle straten, het was mijn krantenwijk, en bovendien pik je op die leeftijd de straten beter op. Van de wijk waar ik nu woon, weet ik na 17 jaar nog steeds niet alle straten uit mijn hoofd. Ik weet ook niet meer zeker of ik de krant bracht in het huis waar we nu heen gaan. Drie jaar geleden besloten we nog dat we hier voorlopig zouden blijven wonen en lieten ons huis grondig aanpakken. Vlak daarna begon mijn vrouw langzaam over andere huizen te praten. Ik negeerde het eerst, maar later begon het besef te komen dat het meeste woongenot hier wel genoten was.

Ons toekomstige huis heeft meer ruimte, een grotere tuin, een garage, een oprit, een mooie veranda, en het ligt aan de rand van het bos. Ik zie ineens allerlei mogelijkheden die ik vroeger niet had. Mijn wensen zijn simpel. Ik wil straks een ladder, zodat ik zelf simpele dingen kan doen. De dakgoot schoonmaken, de ramen wassen, misschien wel schilderen. Een grasmaaier. Geen elektrische, maar zo eentje die het mooie geluid van een grasmaaier maakt. Gereedschap dat je kwijt kunt. Nee, ik zie ons hier wel wonen.

Maar eerst, alles regelen. Hypotheek, badkamer, verhuizing. Het beklemt me nu al. Waar zijn we aan begonnen?

Mooi, vindt u niet? Ik vind het in elk geval wel mooi.

Jack

Vanochtend in bed moest ik er ineens aan denken, aan die arts die me 13 jaar geleden vroeg of ze filmbeelden van Hans mochten maken en gebruiken om te laten zien tijdens colleges. Ik heb toen nee gezegd. Ze mochten wel zijn medische gegevens gebruiken, maar die beelden van dat jochie dat moest vechten om te overleven, dat ging me te ver. Hij had een erg slechte start destijds, en natuurlijk had het allemaal voorkomen kunnen worden als er sneller was ingegrepen. Hij had het al te lang benauwd en het duurde ook veel te lang voor men besloot om tot een keizersnee over te gaan. Toen hij geboren werd moest hij aan het ademen gebracht worden, maar ons was niet duidelijk hoe serieus de situatie op dat moment was. De arts vertelde ons doodleuk dat we moesten afwachten wat hij zou overhouden aan deze start. Pas anderhalf jaar later werd er vastgesteld dat alles goed met hem was. Hij had geen schade opgelopen en hij had geen aangeboren longafwijking.

Op mijn weblog plaatste ik de eerste foto’s van Hans en na een paar dagen begonnen ervaren moeders al te roepen dat het kind niks mankeerde. Dat vond ik fijn om te horen, maar ik vond het ook wel een gewaagde uitspraak. Maar ze hadden gelijk, hun moederinstinct vertelde ze kennelijk de waarheid.

Nu is hij dertien en noemt hij me “Jack.” Zoiets sluipt erin en waarom dat precies is weet ik niet, maar het heeft met Jack van Gelder te maken. “Papa, weet je dat je op Jack lijkt,” hoor ik meerdere malen per dag. “Je bent kaal papa, net als Jack.” Soms vraag ik me hardop af of hij echt geen schade heeft opgelopen. Veel meer geluk dan wij kun je niet hebben. Hij is geen uitblinker op school, en ook niet in sport, al schijnt hij het als keeper goed te doen, maar hij is wel super sociaal en veel mensen lopen met hem weg. Met de kennis van nu hadden ze de beelden mogen laten zien in de collegezaal, maar toen kon ik het niet over mijn hart verkrijgen. Jack.

Het Wilhelmus

Vroeger, als de dag weer was gedaan, klonk er op de radio om middernacht het Wilhelmus. Het leek de nationale staatsradio wel. Ik had het opgenomen op een bandje. Waarom, dat weet ik niet meer. Ik was 14 jaar. Ik vond het mooi, en ik kon het afspelen wanneer ik wilde.

Toen mijn vader werd geopereerd aan maag/slokdarmkanker in 1984, was ik thuis. Na de operatie zou het weer de goede kant op gaan met hem. De troep in hem zou weggehaald worden en dan zou het klaar zijn. Ik wist hoe laat hij geopereerd zou worden maar niet hoe lang het zou duren. Met mijn magische gedachten bepaalde ik het moment dat ze klaar waren, en hem weer dicht maakten. Ik speelde het Wilhelmus om het lot een handje te helpen. Hij was 100 km verderop, maar nu zou het goede nieuws snel komen.

Ik zat er naast, qua tijdstip en qua afloop. Toen ze hem openmaakten, maakten ze hem ook gelijk weer dicht. Hier was niets meer aan te doen. Op de scan uit 1984 zag het er goed uit, in werkelijkheid zag het er vreselijk uit. Toen mijn vader uit narcose kwam, moet hij het gelijk gemerkt hebben. Hij lag niet aan apparatuur, maar gewoon, aan niks. Dat was het dan. Dat hele kut-Wilhelmus had niks geholpen. Ik heb het nooit meer durven spelen voor geluk. Nu ben ik zo oud dat ik kan glimlachen om mijn vroegere magische gedachten. Maar dat Wilhelmus helpt dus niks. Een andere Willem (van Hanegem) is zelfs van mening dat het ons ongeluk brengt tijdens een wedstrijd. Niet het lied zelf, maar het feit dat voetballers ineens moesten gaan meezingen onder druk van de politiek. Geforceerd en tegennatuurlijk, het hoort niet bij ons. Ik was het natuurlijk met hem eens. Hoe kon ik ook anders.

Zondag

6 Mei.Het is stil en onbewolkt. De zon schijnt en de lucht is alleen maar blauw. Alleen een duif en wat zangvogels die je hoort. Niemand met een motormaaier of hogedrukspuit aan de gang, geen auto, geen muziek, niks. Ik zit onder het zonnescherm met een koud biertje. Alleen de hond en ik zijn thuis. Dit is aangenaam. En zeldzaam. Kinderen zijn logeren, vanavond gaan we naar Carré, in het altijd bruisende Amsterdam. Nu hou ik niet zo van bruisende steden als je thuis zo kunt zitten, maar ik had kaartjes gekregen voor mijn verjaardag voor Julien Clerc. Dat leek me nu wel aardig, en ook een geldige reden om die bruisende stad eens aan te doen. Met dank aan PSV. Stel dat ze nog geen kampioen waren en het tot vandaag spannend was gebleven, dan had ik helemaal niet weg gekund. En stel dat PSV geen kampioen was geworden maar Ajax? Dan was ik toch heel die stad niet ingegaan? Dus bedankt PSV. Twee jaar geleden was ik ook in Carré. Toen had het er nog alle schijn van dat Ajax kampioen zou worden. Maar toen had ik me er al bij neergelegd. Het pakte toch nog anders uit. Ach ik dwaal af. Komt vast omdat er een vliegtuigje momenteel de rust verstoort. PSV speelt zo hun laatste wedstrijd van het seizoen, thuis tegen FC Groningen. Spannend. Ik zit nog even in de tuin.

Jax Teller

Jax Teller
Hoe ze het voor elkaar gekregen hebben weet ik niet, maar feit is dat ik uiteindelijk in deze serie werd gezogen. Mijn vrouw heeft hem zeker drie keer in z’n geheel gezien, kan ook vier zijn. Mij ergerde het vooral. Zeven seizoenen van die brommende motorclubtypes die de hele dag elkaar omhelzen en I love you bro roepen. En verder vooral veel geweld en gescheld. Waardeloos vond ik het.
Maar goed, in deze vierde herhaling van zeven seizoenen werd ik in de tweede helft van het laatste seizoen langzaam meegetrokken in dit waardeloze verhaal. En ik wilde de volgende aflevering zien. Op de foto staat Jackson Teller, over smaak valt niet te twisten, maar dat is een knappe man. Jax heeft het geschopt tot president van de Sons of Anarchy, maar weet uiteindelijk niet te ontsnappen uit deze criminele wereld en heeft zich hopeloos en onomkeerbaar in de nesten gewerkt. Hij besluit afscheid te nemen van zijn kinderen, zijn brothers, alle geliefden die hij al heeft moeten begraven, bevrijdt zijn stadje van de laaste criminelen, en stapt nog één maal op zijn motor. Hij wordt gezocht en heeft zeker twintig politieauto’s en -motoren achter zich aan. Het is geen highspeed achtervolging, Jax rijdt gewoon netjes 80 en de politie volgt met loeiende sirenes op gepaste afstand. Jax geniet van zijn laatste rit over zijn Californische wegen, kijkt af en toe achterom en uiteindelijk stuurt hij zijn motor met een glimlach tegen een tegemoetkomende truck. De scène duurt minutenlang, vergezeld van meeslepende muziek.

Ik keek mijn vrouw aan en zei: als je dit zeven seizoenen lang gevolgd hebt, moet deze laatste scène enorm pijn hebben gedaan, want mij doet het al pijn. Ik ging met een triest gevoel naar bed. Jax Teller. Wat een prachtige laatste scène.

Bepalende momenten

Als ik terugkijk op mijn leven tot zo ver, dan zie ik een paar bepalende momenten. Sommige momenten laten zich raden, maar er zijn er ook die minder voor de hand liggen. 1 mei 1994, ik weet de datum uit mijn hoofd. De man die ik het meest bewonderde van allemaal verongelukte in San Marino. Toen hij zijn ongeluk kreeg, had ik nog even de hoop dat hij gered zou worden. Al zou hij nooit meer kunnen racen, deze mooie man moest blijven leven. Vroeg in de avond kwam het slechte bericht, Ayrton was dood. Met een brok in mijn keel vertelde ik het slechte nieuws aan mijn moeder. Zij reageerde nog het emotioneelst met een gemeend “ach” maar voor de rest ging het leven gewoon door, en niemand in Nederland leek zich erom te bekommeren. In Brazilië was de nationale rouw afgekondigd, maar bij ons geen spoortje van verdriet. Totdat Jeroen van Inkel de vrijdag erop een compilatie had gemaakt in zijn radioprogramma. Er was dus nog iemand die het erg vond. Ik reed in de auto naar huis en had tranen in mijn ogen. De compilatie bevatte het commentaar van Olav Mol, de stem van Senna, een tranentrekkend mooi nummer en het wegstervende geluid van een F1 auto aan het einde. Senna zou nooit meer terugkomen en tot op de dag van vandaag mis ik deze man. Ik heb nooit meer iemand gezien die meer charisma had dan hij. Bijna had ik mijn dochter Senna genoemd. De naam stond al vast. Maar het werd een jongetje. Hans, genoemd naar een andere held.