De stiltecoupé

Het werk was gedaan en omdat ik toch in de buurt was besloot ik even langs Paleis Noordeinde te lopen. Ik had het nog nooit gezien en ik kom tenslotte zelden in de binnenstad van Den Haag. Het zou slechts drie minuten lopen zijn, maar na 1 minuut lopen was ik er al. Was dat nu alles? Er stonden wat toeristen te kijken en een gids sprak de groep toe. “Reken maar dat ze…,” was het enige dat ik opving. Ik maakte eruit op dat hij bedoelde dat ze de mensen die voor het paleis stonden onopgemerkt in de gaten hielden. Ik keek nog heel even en vond dat de koningin een bescheiden paleisje had. Het was dat het afgesloten was met hekken, anders had er zomaar een willekeurige welgestelde Hagenees kunnen wonen. Ik liep terug. Dan nog maar even door het Binnenhof, ook daar was ik nooit geweest.

Het Binnenhof. Het werd aangeduid met een bordje “Buitenhof”. Haagse humor, dacht ik. Natuurlijk hoopte ik een bekend politicus tegen te komen om hem eens even diep in de ogen te kijken met zo’n blik van: hier loopt uw toekomstig dictator. Maar nee, ze waren allemaal hard aan het werk. Ik liep terug naar mijn trein. Nou ja, niet mijn trein, maar de trein die ik moest hebben. Dankzij een digitaal informatiebord vond ik hem zonder het te hoeven vragen bij de informatiebalie. Die geel-blauwe borden, die ik op Den Haag CS trouwens niet zag hangen, kon ik nooit lezen. Een hele vooruitgang.

De trein zou aankomen op spoor zes en ik wachtte op een bankje en at een boterham. Naast mij zaten een negermoeder en een negerkindje friet te eten. Een duif probeerde een gevallen frietje op te pikken, maar het negerkindje schopte naar hem. De duif fladderde verschrikt achteruit, maar pakte het frietje toch. Wat dat betreft kunnen ze van nature toch niet goed met inheemse diersoorten omgaan, die negers. Ik gooide een stukje brood in de richting van de duif, en binnen een minuut liepen er vijf. Waar ze allemaal vandaan kwamen, Joost mag het weten. Het was hier overdekt.

Toen de trein kwam, stapte ik vast in, al zou het vertrek pas over een kwartier zijn. Ik pakte mijn boek en begon te lezen. Het negerkindje en de negermoeder stapte ook in en praatten wat. Een mevrouw voor hen attendeerde hen erop dat dit een zogenaamde stiltecoupé was, dus als ze wilden praten dat ze in een andere coupé moesten gaan zitten. Pure discriminatie, dacht ik. Maar even later kwamen er twee jongens die ook een gesprek begonnen, die het zelfde lot wachtten. De vrouw zei hen dat als ze wilden praten, dat ze beter in een andere coupé konden gaan zitten. De jongens keken verbaasd, maar dropen af. Toen kwam er een stel Duitsers, twee meisjes en een jongen met grote reiskoffers. Het meisje leek op Eva Auad, met wie ik tegenwoordig op Hyves bevriend ben, en die soms een berichtje bij mij achterlaat. Jaja, het kan verkeren.

Ik was benieuwd wat de vrouw nu zou gaan doen. De trein was inmiddels gaan rijden, en de vrouw deed niets. Maar uit de andere hoek kwam er nu een streng kijkende vrouw aan die naar de Duitsers liep en hen wees op het bordje “Silence”. “Het is hier een stiltecoupé!”, zei ze streng. De Duitsers vervolgde hun conversatie op fluistertoon maar na vijf minuten was het volume weer ouderwets Duits. Toen was het de beurt aan een meneer, net als de twee eerdere vermaners ook al wat op leeftijd. “Het is hier een stiltecoupé, daar zijn jullie net ook al op gewezen!” Het meisje dat op Eva Auad leek, keek schuldbewust mijn kant op, en ik knipoogde naar haar. Nou nee, dat zou mooi geweest zijn, want knipogen op het juiste moment moet je kunnen. Nee, ik glimlachte naar haar, en ze keek vriendelijk terug. Op dat moment ging de telefoon af van de jongen die naast de laatste vermaner zat, iets wat natuurlijk ten strengste verboden is in een stiltecoupé. Hij nam op en zei luid: “Ja, ik zit hier in een stiltecoupé naast iemand die zich verschrikkelijk zit te ergeren aan het feit dat hij in een stiltecoupé zit.” Vanaf dat moment was het uit met de stilte. De jongen stapte net als ik in Apeldoorn uit. Dat vond ik toch wel apart. Iemand die zo assertief is, daarvan had ik verwacht dat hij er in Gouda of Utrecht, desnoods Amersfoort uit moest, maar nee, Apeldoorn. Daar waar het altijd stil is.

Het eerste wat ik deed toen ik thuis was, was een plaatje van Paleis Noordeinde googelen. Ik had kennelijk toch nog twee minuten moeten doorlopen. Voor de zekerheid checkte ik het Binnen/buitenhof ook nog even. Maar dat kwam wél overeen met wat ik gezien had.

Ten aanval.

Ik ging naar het examen met een instelling die mij ooit vreemd was. Ik was altijd wat afwachtend, en hoopte er het beste van en roeide met de riemen die ik had. Zo niet vandaag. Nee, ik ging naar het examen om de opgaven op te vreten. Om alles wat ik geleerd had eens even flink op papier te schrijven. Om de verwijzingen naar de wetsartikelen eens even haarfijn aan te geven. Om mij niks aan te trekken van de waarschuwingen dat formeel recht door de cursisten over het algemeen lastig gevonden werd doordat ze er weinig feeling mee hebben.

Het begon eergisteren al. Ik sloeg de boeken dicht omdat ik vond dat het genoeg was. Ik kende het, de antwoorden staan in het wetboek en tijdens het examen weet ik ze exact te benoemen. Kortom, ik was zeker van mijn zaak.

Ik voelde vanochtend weinig tot geen nervositeit en reed richting Utrecht. Om bij Amersfoort in een enorme file te komen. Natuurlijk, die file staat er standaard dus ik hield er rekening mee. Maar hij was hardnekkiger dan anders. Tergend langzaam trok de stoet voorbij. En tergend langzaam is geen goed tempo als je strijdvaardig bent. Drie kwartier later was ik Amersfoort voorbij. Ik ging op het gas om weer in een file terecht te komen. En in nog één. Ik voelde nervositeit, ik voelde waterdamp onder mijn oksels.

Uiteindelijk kwam ik ruim op tijd -een kwartier van tevoren- aan. Ik parkeerde en liep met mijn wapens -wettenbundel en rekenmachine- naar de examenzaal. Ik viel de opgaven aan. Ik heb alle fraudeurs in de opgaven ontmaskerd en voor het gerecht gebracht. Ik waak over uw belastinggeld.